Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2014:36

Parket bij de Hoge Raad · 28-01-2014 · zaaknummer 13/00282

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 10-02-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende, ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, heeft een kantoorpand laten bouwen dat hij een aantal jaren vrijgesteld heeft verhuurd. Volgend op deze periode van vrijgestelde verhuur komt het pand - nog gedurende de herzieningsperiode - een aantal jaren leeg te staan. Enige jaren later wordt het pand weer verhuurd, ditmaal belast. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende over het (herzienings)jaar 2010, waarin het pand leegstond, terecht aanspraak maakt op aftrek c.q. teruggaaf wegens herziening van 1/10e deel van de bij ingebruikneming van het pand verschuldigde omzetbelasting(1)(hierna: initiële belasting) die destijds vanwege het vrijgestelde gebruik van het pand, niet voor aftrek in aanmerking kwam. Rechtbank Arnhem (de Rechtbank) beantwoordde deze vraag bevestigend en oordeelde dat belanghebbende in het in geding zijnde 'herzieningsjaar' recht heeft op aftrek c.q. teruggaaf van 1/10e deel van de bij de ingebruikneming van het kantoorpand verschuldigd geworden omzetbelasting, daartoe onder meer overwegende dat zij aannemelijk achtte dat belanghebbende gedurende de periode van leegstand voornemens was het kantoorpand belast te gaan verhuren. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak (sprong)cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Aan de hand van uitlegging van jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ) over verwante kwesties, komt A-G van Hilten in haar conclusie tot de slotsom dat voor het recht op 'herzieningsaftrek' gedurende leegstand het (bewezen) voorgenomen gebruik doorslaggevend is. Indien het voorgenomen gebruik gebruik voor belaste doeleinden is, bestaat haars inziens in beginsel recht op aftrek van de aan het desbetreffende herzieningsjaar toerekenbare initiële belasting. A-G van Hilten meent dat de Rechtbank op basis van het feitenmateriaal terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende aan de hand van objectieve gegevens heeft bewezen dat hij voornemens was het pand belast te gaan gebruiken. Belanghebbende heeft haars inziens over het in geding zijnde jaar dan ook recht op aftrek van de aan dit jaar toerekenbare initiële belasting. Nu belanghebbende geen (enkele) aftrek heeft genoten van de initiële belasting maakt zij naar de mening van de A-G terecht aanspraak op teruggaaf van 1/10e deel van de initiële belasting. Dat neemt volgens de A-G echter niet weg dat de herziening van aftrek in tijden van leegstand op verschillende manieren kan worden benaderd, en dat voor enkele van die andere benaderingen eveneens (enige) steun te vinden is in de tekst van de btw-richtlijn en Luxemburgse rechtspraak. Met het oog hierop acht de A-G het (toch) opportuun om ter zake prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing. 1 Op grond van het toenmalige artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.