ECLI:NL:PHR:2014:327
Parket bij de Hoge Raad · 26-03-2014 · zaaknummer 14/00350
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2013, nrs. 13/00495 en 13/00496, ECLI:NL:GHARL:2013:9173, V-N 2014/11.1.1. Belanghebbende is eigenares van een bedrijfspand dat wordt verhuurd aan een B.V., een taxicentrale, waarvan haar echtgenoot alle aandelen bezit. In belanghebbendes aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2008 en 2009 is het pand in box 3 opgenomen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij de taxicentrale, heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld haar aangiften over 2008 en 2009 aldus te willen corrigeren dat de inkomsten uit het door haar aan de B.V. ter beschikking gestelde bedrijfspand, in aanmerking zullen worden genomen in box 1. Dat zou leiden tot hogere aanslagen dan conform de aangiften. Die kenbaar gemaakte bedoeling van de Inspecteur is echter niet geëffectueerd. De aanslagen zijn door het computersysteem van de Belastingdienst conform de aangiften opgelegd. De behandelende ambtenaren hebben namelijk nagelaten belanghebbendes aangiften voor de jaren 2008 en 2009 waarvan de onjuistheid door het boekenonderzoek aan het licht was gekomen, in het traject van geautomatiseerde afdoening en verwerking te blokkeren. Vervolgens zijn navorderingsaanslagen opgelegd waarin de beoogde correcties alsnog zijn opgenomen. In geschil is of navordering op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, van de AWR mogelijk is. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof in r.o. 4.11 met name overwogen: Naar het oordeel van het Hof is het niet-blokkeren van de aangiften het gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de behandelende ambtenaren in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat niet in geschil is dat de behandelende ambtenaren de aangiften tijdig hadden kunnen blokkeren en dat aannemelijk is dat de behandelende ambtenaren, bij een juist inzicht in de feiten, zouden hebben zorggedragen voor een tijdige blokkering van de aangiften. Het verwijtbaar onjuiste inzicht van de behandelende ambtenaren dient aan de Inspecteur te worden toegerekend. De A-G merkt op dat navordering op grond van artikel 16, lid 2, c AWR, schematisch weergegeven, kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat: (I) ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of (…) een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, (II) hetgeen (dat een fout is gemaakt) de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, (IIa) waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. In de wetsgeschiedenis is omtrent het fout-vereiste opgemerkt dat het begrip ‘fout’ neutraal en ruim is, ‘waaronder in elk geval schrijf-, reken-, overname-, en intoetsfouten en fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften vallen’. Voor de vraag of sprake is van een fout, is van belang of er een discrepantie bestaat tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd. Het gaat er niet om waarin de fout is gemaakt, in de aangifte of bij de verwerking van de aangifte tot een belastingaanslag. Het is niet van belang dat de belastingplichtige weet welke fout is gemaakt. Slechts vereist is dat aan de belastingplichtige duidelijk is dát een fout is gemaakt. Onder een ‘fout’ mag niet worden verstaan een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Het gaat dus niet om een bewust, maar onjuist inzicht. Volgens de A-G is er in casu wel sprake van een door de Inspecteur gemaakte ‘fout’ als bedoeld in artikel, 16, lid 2, c AWR. De Inspecteur wilde immers, als aangekondigd, afwijken van de aangifte door in de op te leggen aanslagen het bedrijfspand niet, als aangegeven, in aanmerking te nemen in box 3, maar in box 1. Dat dit niet is geschied, is eraan te wijten dat behandelende ambtenaren hebben nagelaten belanghebbendes aangiften voor de jaren 2008 en 2009, waarvan de onjuistheid door het boekenonderzoek aan het licht was gekomen, in het traject van geautomatiseerde afdoening en verwerking te blokkeren. Vervolgens zijn de aanslagen conform de aangiften opgelegd. Het komt de A-G voor dat dit een situatie is als waarvoor artikel 16, lid 2, c AWR is ingevoerd. Vervolgens wordt toegekomen aan de vraag of is voldaan aan het kenbaarheid-vereiste. Als feit staat in casu vast dat de bij de aanslagen te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de 30 percent bewijsfictie de kenbaarheid van de fout objectiveert. Het gaat om een wetsfictie zonder tegenbewijsregeling. Daarmee is, naar de A-G meent, in casu voldaan aan het kenbaarheid-vereiste. Het middel van de Staatssecretaris slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
