ECLI:NL:PHR:2014:19
Parket bij de Hoge Raad · 14-01-2014 · zaaknummer 13/00057
Inhoudsindicatie
Belanghebbende biedt telecommunicatie-, en andere diensten aan via het mobiele netwerk. Klanten die gebruik willen maken van de diensten van belanghebbende hebben beltegoed nodig. Belanghebbende verkoopt dit beltegoed op zogenoemde opwaardeerkaarten, die zij aan de detailhandel verstrekt tegen een (iets) lager bedrag dan de nominale waarde van de kaarten. De detailhandelaar verkoopt vervolgens de opwaardeerkaarten tegen de nominale waarde aan de eindgebruikers. In deze procedure staat de vraag centraal of belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is over de nominale waarde van de opwaardeerkaarten, of over het lagere bedrag dat zij aan de detailhandelaren berekent. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zijn van oordeel dat omzetbelasting verschuldigd is over het bedrag waarvoor belanghebbende de opwaardeerkaarten aan de detailhandelaren heeft verkocht. A-G Van Hilten gaat in deze conclusie eerst in op de wijze waarop in Nederland op grond van het destijds (ultimo 2008) geldende beleid btw-technisch werd omgegaan met multifunctionele telefoonkaarten. Op basis van dat beleid werd een dergelijke kaart aangemerkt als waardepapier (waarvan de overdracht is vrijgesteld van omzetbelasting). De A-G houdt het niet voor onmogelijk dat, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ), de waardepapierbenadering (oud) mogelijk niet spoort met het Unierecht. Dat neemt haars inziens niet weg dat – ook indien de waardepapierbenadering de toets van richtlijnconformiteit niet doorstaat – een beroep op dat beleid door belanghebbende gehonoreerd moet worden. Zij leidt dat af uit de jurisprudentie van het HvJ. Uitgangspunt in deze procedure is derhalve dat de overdracht van de opwaardeerkaart als overdracht van een waardepapier moet worden aangemerkt. Het is dus niet nodig om deze zaak aan te houden totdat het HvJ beslist heeft in de thans bij hem voorliggende zaak Granton Advertising BV, C-461/12, waarin de vraag aan de orde is of een (korting)kaart een waardepapier in de zin van de omzetbelasting is. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag waarover belanghebbende omzetbelasting is verschuldigd. Zij komt tot de conclusie dat, zowel uitgaande van het mogelijk niet met het Unierecht overeenstemmende nationale beleid, als uitgaande van de lijn die het HvJ lijkt te hebben ingezet, de maatstaf van heffing ter zake van de door belanghebbende verrichte prestatie moet worden gesteld op het bedrag dat zij daadwerkelijk heeft ontvangen van de detailhandelaren, dat wil zeggen op de nominale waarde van de opwaardeerkaarten minus de aan de detailhandelaren verleende korting. De A-G is van mening dat het eerste middel faalt. Ook het tweede middel faalt volgens de A-G. De A-G meent dat het Hof wel degelijk acht heeft geslagen op de stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende ontvangen vergoeding bestaat uit een geldbedrag en een (distributie)dienst van de distributeur. Het beroep in cassatie treft derhalve geen doel. A-G van Hilten adviseert het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
