Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2014:1773

Parket bij de Hoge Raad · 31-07-2014 · zaaknummer 10/01243

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 25-09-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Dit is de tweede maal dat A-G Van Hilten conclusie neemt over de vraag of een goed – in casu een dieselmotor – aan het douanetoezicht is onttrokken indien het onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer (hierna: regeling douanevervoer) is geplaatst en ruim twee weken na het verstrijken van de termijn daartoe bij het kantoor van bestemming wordt aangebracht. Op 10 mei 2011 concludeerde zij tot het stellen van een prejudiciële vraag. Bij arrest van 12 oktober 2012 stelde de Hoge Raad er twee. Na conclusie van A-G Jääskinen (13 februari 2014), verklaarde het Hof van Justitie (HvJ) bij arrest van 15 mei 2014, X, C-480/12 (hierna: arrest C-480/12) dat: (1) de enkele overschrijding van de termijn voor het aanbrengen niet leidt tot een douaneschuld wegens het onttrekken van de betrokken goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW), maar tot een douaneschuld met als grondslag artikel 204 van het CDW, en dat het voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van dat artikel 204 niet nodig is dat de betrokkenen de douaneautoriteiten inlichtingen verstrekken over de oorzaken van de overschrijding van de termijn of over de plek waar de betrokken goederen zich bevonden gedurende de periode tussen het verstrijken van die termijn en de daadwerkelijke aanbrenging van de goederen bij het douanekantoor van bestemming; en dat (2) artikel 7, lid 3, eerste alinea, van de Zesde richtlijn zó moet worden uitgelegd dat omzetbelasting verschuldigd is wanneer de betrokken goederen aan de in dat artikel bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken, zelfs indien een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van CDW is ontstaan. A-G Van Hilten acht het antwoord op de eerste vraag weliswaar duidelijk, maar de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid niet, met name omdat daarin de indruk wordt gewekt dat de Hoge Raad wordt opgedragen na te gaan hetgeen al vastgesteld lijkt. Het antwoord op de tweede vraag lijkt haar – bij eerste lezing – innerlijk tegenstrijdig omdat in de rechtspraak van het HvJ pas wordt toegekomen aan toepassing van artikel 204 van het CDW als géén sprake is van een onttrekking en het HvJ bij de beantwoording van vraag 2 suggereert dat artikel 204 van het CDW ook ingeval van onttrekking van toepassing kan zijn. Zij gaat vervolgens in op de betekenis van elk van de antwoorden van het HvJ. Daarbij spelen andere taalversies van het arrest een belangrijke rol. Dubbelzinnigheden en onduidelijkheden in de Nederlandse – authentieke – versie van het arrest, blijken begrijpelijk(er) wanneer zij naast de Engelse, Franse en Duitse tekst worden gezet. Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, concludeert A-G Van Hilten dat het HvJ vaststelt dat de dieselmotor niet in het economische circuit van de EU is terechtgekomen, maar dat dit niet uitsluit dat toch sprake is van een onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW. Dit strookt met eerdere rechtspraak. De A-G legt de in punt 37 van arrest C-480/12 aan de Hoge Raad gegeven ‘verwijzingsopdracht’ zó uit dat de Hoge Raad moet nagaan of de dieselmotor op enig moment gescheiden is geraakt van het vervoersdocument. Zij meent dat deze opdracht snel vervuld zal zijn, omdat in casu gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een dergelijke scheiding van document en goed. Van een onttrekking is haars inziens dan ook geen sprake, zodat aan toepasbaarheid van artikel 204 van het CDW wordt toegekomen. Op grond van artikel 204 ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer niet is voldaan aan verplichtingen die uit het gebruik van een douaneregeling voortvloeien, tenzij het verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de toepassing van de regeling is gebleven. In artikel 859 van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW) is een limitatieve opsomming gegeven van omstandigheden waarin een verzuim kan worden geacht zonder werkelijke gevolgen te zijn gebleven. Naar A-G Van Hilten uit punt 41 van arrest C-480/12 afleidt, heeft het Hof – door bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van (te laat) aanbrengen alleen het tijdsverloop in aanmerking te nemen, uitgegaan van een onjuist rechtsoordeel. Nu geen omstandigheden zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van het tijdsverloop tussen het einde van de aanbrengingstermijn en het daadwerkelijke aanbrengen van de dieselmotor, meent Van Hilten dat niet kan worden gezegd dat de termijnoverschrijding redelijk was. Dat betekent dat het verzuim niet zonder werkelijke gevolgen is gebleven en dat douanerechten verschuldigd zijn. Bij de beantwoording van de tweede vraag heeft volgens A-G van Hilten voor het HvJ voorop gestaan dat wanneer eenmaal ingevolge artikel 204 van het CDW rechten bij invoer zijn betaald ter zake van een in de EU binnengebracht doch onder een douaneregeling geplaatst goed, het desbetreffende goed daarmee in het vrije verkeer is gekomen en het goed zich ‘dus’ ook niet meer onder de desbetreffende regeling kan bevinden (artikel 866 UCDW). De goederen zijn niet zozeer onttrokken in de zin van artikel 203 van het CDW maar vallen (toch) niet meer onder de regeling. Dat betekent dat die regeling kennelijk moet zijn beëindigd. Via deze route leidt artikel 204 van het CDW derhalve tot een niet meer onder een douaneregime vallen van goederen, en dat levert een omzetbelastingschuld op, ook op grond van artikel 18, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn, hebben – anders gezegd – een ruimer toepassingsbereik dan enkel ‘onttrekken’, ook al suggereert de Nederlandse tekst van de bepalingen dit laatste. Na te hebben opgemerkt dat de (via artikel 204 van het CDW) ter zake van invoer verschuldigd geworden omzetbelasting haars inziens voor aftrek dan wel teruggaaf in aanmerking moet komen, concludeert A-G van Hilten dat het beroep in cassatie van de Minister van Financiën gegrond moet worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.