ECLI:NL:PHR:2014:1760
Parket bij de Hoge Raad · 30-07-2014 · zaaknummer 13/05584
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor toepassing van de douaneregeling passieve veredeling voor het vermengen van communautaire lichte olie (benzine) met niet-communautaire ethanol tot de biobrandstof E85 (hierna: E85). Het vermengen vindt in een schip plaats, buiten de territoriale wateren van de Europese Unie (hierna: EU). Na het vermengen komt het schip terug naar Nederland, waar belanghebbende de E85 voor het vrije verkeer aangeeft. De Inspecteur heeft de aanvraag afgewezen omdat de economische voorwaarden zijns inziens niet zijn vervuld. In deze procedure staat de (economische) douaneregeling passieve veredeling centraal, althans de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een vergunning voor toepassing van die douaneregeling. Meer specifiek gaat het om de vraag wie de ‘communautaire veredelaars’ zijn wier wezenlijke belangen op grond van artikel 148, aanhef en onder c, CDW niet ernstig mogen worden geschaad. Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) is van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met zowel de communautaire producenten van de ethanol als de producenten van E85. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat de wezenlijke belangen van in de EU gevestigde producenten van ethanol ernstig zouden worden geschaad als de vergunning zou worden verleend en heeft de Inspecteur terecht de aanvraag voor de vergunning afgewezen. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelde daarentegen dat de Inspecteur de vergunning had moeten verlenen. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag dient naar het oordeel van het Hof enkel rekening te worden gehouden met de wezenlijke belangen van de in de EU gevestigde producenten van E85. Aangezien de Inspecteur niet over aanwijzingen beschikt dat gebruikmaking van de regeling passieve veredeling er toe leidt dat de wezenlijke belangen van Europese E85 producenten worden geschaad, wordt niet toegekomen aan een onderzoek van de economische voorwaarden (artikel 585, lid 1 jo. artikel 502, lid 2, UCDW). Allereerst besteed A-G Van Hilten aandacht aan het doel en strekking van de regeling passieve veredeling. De douaneregeling passieve veredeling ziet op communautaire goederen die (tijdelijk) worden uitgevoerd om buiten de EU een be- of verwerking (‘veredeling’) te ondergaan, en die vervolgens veredeld en wel (met niet-communautaire goederen) weer in de EU terugkeren. Een van de doelstellingen van de regeling passieve veredeling, meent de A-G, is dan ook te voorkomen dat douanerechten worden geheven over producten die na buiten de EU te zijn veredeld weer worden ingevoerd. De regeling beoogt haar doelstelling te bereiken door bij die wederinvoer de douanerechten die verschuldigd zouden zijn over de tijdelijk uitgevoerde goederen te verrekenen. Het valt de A-G op dat in de bepalingen inzake passieve veredeling niets is bepaald omtrent de mate waarin het te bewerken communautaire goed deel moet uitmaken van het veredelingsproduct. Ook zijn er geen voorwaarden ten aanzien van de tarieven, evenmin als ten aanzien van de (on)omkeerbaarheid van de bewerking. Daaruit leidt de A-G af dat de omstandigheid dat de communautaire grondstof maar een klein deel uitmaakt van het veredelingsproduct niet af doet aan de toepasbaarheid van de regeling en het voor de toepassing van de regeling kennelijk niet uitmaakt of het ingevoerde veredelingsproduct mogelijk lager is getarifeerd dan de niet-communautaire goederen die bij de veredeling van het tijdelijk uitgevoerde goed werden gebruikt. Aan de toepassing van de regeling passieve veredeling is - voor zover hier van belang - de voorwaarde van een voorafgaande vergunningverlening verbonden. Een vergunning wordt slechts verleend indien de wezenlijke belangen van de communautaire veredelaars niet ernstig worden geschaad (economische voorwaarden, artikel 148, aanhef en onder c, CDW). Op het eerste gezicht ligt het volgens de A-G voor de hand dat met ‘communautaire veredelaars’ gedoeld wordt op in de EU gevestigde ondernemingen die grondstoffen als die welke onder de regeling passieve veredeling buiten de EU worden gebracht - in casu de benzine - binnen de EU bewerken of verwerken tot het veredelingsproduct - in casu E85 - (dat onder de regeling passieve veredeling wordt binnengebracht). Anderzijds rijst de vraag bij de A-G of onder ‘communautaire veredelaars’ ook de binnen de Unie gevestigde ondernemers worden bedoeld die de communautaire grondstof binnen de EU tot het eindproduct bewerken (ruime uitleg). Die vraag wordt ingegeven door rechtspraak van het Hof van Justitie over de douaneregeling behandeling onder douanetoezicht (hierna: BOD). Bij die regeling gaat het om niet-communautaire goederen die zonder betaling van rechten in de EU een behandeling ondergaan en die vervolgens - tegen het voor het behandelde goed geldende douanetarief - in het vrije verkeer worden gebracht (artikel 130 CDW). Het doel van de regeling BOD is te voorkomen dat behandelingen van goederen naar het buitenland worden overgebracht ten detrimente van communautaire behandelaars. Een vergunning voor de regeling BOD wordt slechts verleend indien ‘de wezenlijke belangen van de communautaire producenten van soortgelijke goederen’ niet worden geschaad (economische voorwaarden, artikel 133 CDW). Over de uitlegging van deze term handelde het arrest van het HvJ van 11 mei 2006, Coberco, C-11/05. In dat arrest valt op, aldus de A-G dat het HvJ, het bereik van artikel 133, onder e, CDW oprekt van ‘producenten van soortgelijke producten’ tot ‘veredelaars van grondstoffen en communautaire producenten van soortgelijke goederen’. A-G meent evenwel dat dit oordeel van het HvJ inzake de regeling BOD niet kan worden doorgetrokken naar de regeling passieve veredeling, nu de doelstelling van beide regelingen haars inziens daarvoor te veel verschilt. De slotsom is dat volgens de A-G bij toepassing van artikel 148, onder c, CDW de economische positie van producenten van ethanol niet aan de orde is en dat slechts moet worden bezien of de communautaire producenten van E85 door de passieve veredeling benadeeld (zouden) worden. Aangezien in het onderhavige geval daarvoor geen aanwijzingen zijn, brengt de fictie van artikel 585, lid 1, van de UCDW mee dat een onderzoek naar de economische voorwaarden niet aan de orde is, c.q. dat de economische voorwaarden geacht wordt te zijn vervuld. De A-G meent dan ook dat belanghebbende in aanmerking komt voor een vergunning passieve veredeling. A-G Van Hilten adviseert het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond te worden verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
