ECLI:NL:PHR:2014:1731
Parket bij de Hoge Raad · 15-07-2014 · zaaknummer 13/02667
Inhoudsindicatie
Belanghebbende in deze zaak is paranormaal therapeut en als zodanig ondernemer in de zin van de omzetbelasting. Hij behandelt zowel patiënten met psychische klachten als patiënten met lichamelijke klachten. Belanghebbende meent dat zijn activiteiten zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Hij doet daartoe een beroep op de vrijstelling die op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel g, sub 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) tot en met 31 december 2012 gold voor ‘psychologen’; subsidiair voert hij aan dat zijn activiteiten (rechtstreeks) vallen onder de richtlijnvrijstelling voor medische verzorging. Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) en Hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) hebben tegengesteld geoordeeld: de Rechtbank achtte de vrijstelling niet van toepassing, het Hof wel. Deze conclusie is vooral gewijd aan het begrip ‘psycholoog’ dat destijds in de nationale vrijstellingsbepaling werd gehanteerd. Alvorens A-G Van Hilten ingaat op het begrip ‘psycholoog’ behandelt zij de richtlijnvrijstelling voor medische diensten. Zij wijst op de jurisprudentie waarin het HvJ oordeelt dat de ratio van deze vrijstelling is gelegen in het verlagen van kosten van medische verzorging c.q. het voorkomen dat medische zorg ontoegankelijk wordt vanwege de verhoogde kosten indien zij aan de btw zou worden onderworpen. De richtlijnvrijstelling behoort tot de vrijstellingen die zijn ingesteld voor activiteiten van algemeen belang. Het algemeen belang is gediend met medische zorg door competente zorgverleners. In dat licht ligt het volgens de A-G voor de hand om beroepskwalificaties als criterium voor competentie te hanteren. De lidstaten moeten derhalve bij de invulling van ‘hun’ nationale medische vrijstelling in het oog houden dat zij niet zo maar iedereen mogen aanwijzen als beoefenaar van een vrijgesteld (para-)medisch beroep, maar dat alleen beroepsgekwalificeerde zorgverleners met kwalitatieve ‘standing’ daarvoor in aanmerking komen. Nu het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar in concurrentie staan, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld, krijgt de vrijstelling voor medische zorg aldus A-G Van Hilten iets van een spagaat: enerzijds moeten de lidstaten de aanwijzing van zorgverleners wier (para)medische zorg zij onder de vrijstelling brengen, beperken tot (para)medische beroepsbeoefenaren met bepaalde – kwalitatief ‘hoogstaande’ – beroepskwalificaties (uit oogpunt van algemeen belang); anderzijds mogen zij zorgverleners die die beroepskwalificaties niet hebben, maar wier diensten, naar A-G Van Hilten opmaakt uit de jurisprudentie van het HvJ bezien vanuit de patiënt, kwalitatief gelijkwaardig zijn, de vrijstelling niet weigeren (uit oogpunt van neutraliteit). Vervolgens gaat A-G Van Hilten in op de (geschiedenis van de) nationale vrijstellingsbepaling.. De geschiedenis van de omzetbelastingwetgeving geeft wat betreft de invulling van het begrip ‘psycholoog’ dat destijds in de Wet werd gehanteerd, weinig inzichten. Het is onduidelijk wie de wetgever op het oog heeft gehad toen hij de diensten van psychologen vrijstelde. Echter in aanmerking nemende dat: (i) de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (hierna: WWO) vanaf september 1970 de hoedanigheid en titel van ‘psycholoog’ beperkte tot universitair afgestudeerde psychologen, (ii) de richtlijnbepaling beoogt de vrijstelling te beperken tot de door de lidstaten als zodanig omschreven beroepsgekwalificeerde zorgverleners, en (iii) het karakter van de richtlijn vereist dat de Wet zoveel mogelijk in overeenstemming met de richtlijn wordt uitgelegd en ervan uit moet worden gegaan dat de wetgever dat ook zo bedoeld heeft, meent A-G Van Hilten dat ervan uit moet worden gegaan dat in ieder geval vanaf de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn (en tot 2013, toen de term ‘psycholoog’ uit de Wet verdween), met het in de Wet gehanteerde begrip ‘psycholoog’ gedoeld werd op diegenen die op grond van de WWO de hoedanigheid van psycholoog hebben en de titel van psycholoog mogen voeren, dat wil zeggen universitair geschoolde psychologen. A-G Van Hilten acht dit in overeenstemming met het doel van de richtlijnbepaling om met het oog op het algemeen belang alleen (beroeps)gekwalificeerde zorgverleners onder de vrijstelling te brengen. Ten slotte behandelt de A-G Van Hilten de vraag of diensten van belanghebbende ‘soortgelijk’ zijn aan (andere) gezondheidskundige dienstverlening die wel onder de vrijstelling valt. Hiervoor moet het kwaliteitsniveau van de (niet onder de nationale vrijstellingsbepaling vallende) vrij te stellen gezondheidskundige dienst worden vergeleken met het kwaliteitsniveau van de vrijgestelde medische dienst. De vaststelling dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als psycholoog in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel g, van de Wet, betekent volgens de A-G dus nog niet dat belanghebbendes diensten daarom niet kunnen zijn vrijgesteld. Naar A-G Van Hilten meent kan de behandeling van patiënten met lichamelijke klachten niet worden gerangschikt onder psychologische dienstverlening. Dat neemt niet weg dat een vergelijking met behandelingen door andere (para)medische beroepsbeoefenaren aan de orde is. Het Hof heeft die vergelijking ook gemaakt en komt onder meer op grond van de in de hofuitspraak vastgestelde feiten en met name: (i) de omstandigheid dat patiënten naar belanghebbende worden verwezen door huisartsen, psychologen en kinderartsen, (ii) de opleiding die belanghebbende heeft gevolgd, en die het Hof als HBO-opleiding kenschetst, en (iii) de omstandigheid dat de kosten van behandeling door belanghebbende door ziektekostenverzekeraars worden vergoed, tot het oordeel dat belanghebbendes werkzaamheden alle onder de (richtlijn)vrijstelling kunnen worden gebracht. Naar A-G Van Hilten meent heeft het Hof met deze afweging de lijnen van het arrest Solleveld keurig gevolgd. In zoverre is het Hof van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. De afweging c.q. de motivering van het oordeel is ook niet onbegrijpelijk en bovendien verweven met waarderingen van feitelijke aard. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
