ECLI:NL:PHR:2014:111
Parket bij de Hoge Raad · 26-02-2014 · zaaknummer 13/01817 en 13/01818
Inhoudsindicatie
Belanghebbenden houden zich bezig met de productie en verkoop van ‘growkits’ voor het kweken van psilocybe paddenstoelen met hallucinerende werking (hierna: paddo’s). De growkits zijn samengesteld uit een plastic bakje met deksel, broed - een graancultuur waaraan de sporen van paddo’s zijn toegevoegd - en een tweetal toevoegingen die voor de vochtregulatie zijn bestemd. In deze procedures gaat het om de vraag of de levering van de growkits onderworpen is aan het verlaagde omzetbelastingtarief. De vraag valt in tweeën uiteen: (1) Valt het broed onder het verlaagde tarief als ‘pootgoed bestemd voor de teelt van groenten en fruit’ als bedoeld in Tabel I, post a.3 bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en (2) moet de levering van de growkits worden gezien als een - aan het algemene tarief onderworpen - prestatie sui generis of gaat het in de hoofdzaak om de levering van broed, waarbij de levering van het bakje en de toevoegingen bijkomend zijn en het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Rechtbank Leeuwarden kwam - zonder een oordeel te vellen over het broed als zodanig - tot het oordeel dat de levering van de growkits een prestatie sui generis is, die onder het algemene omzetbelastingtarief valt. De levering van de growkits was naar het oordeel van Hof Arnhem - Leeuwarden (hierna: het Hof) daarentegen een levering van (laagbelast) broed, waarbij de toevoegingen en het bakje als bijkomende prestaties dezelfde fiscale behandeling ondergaan als de hoofdprestatie. Het Hof kwam tot de slotsom dat het verlaagde tarief van toepassing is. A-G Van Hilten bespreekt in deze conclusie eerst de toepassing van het verlaagde tarief op ‘pootgoed voor de teelt van groente en fruit’ (Tabel I, post a.3 bij de Wet). Zij meent dat de vorengenoemde term in zoverre ruim mag worden opgevat dat op zichzelf ook broed voor paddenstoelen daaronder kan worden gebracht, ook al is broed in strikte zin geen ‘pootgoed’, terwijl paddenstoelen evenmin zonder meer groente of fruit zijn. Voorwaarde voor toepassing van de post is wel dat de paddo’s die uiteindelijk uit het broed groeien als ‘eetwaren’ kunnen worden aangemerkt in de zin van post a.1 van Tabel I bij de Wet. Alvorens de A-G daar op in gaat, onderzoekt zij of het Nederlandse verlaagde tarief voor (de levering van) voedingsmiddelen en pootgoed in overeenstemming is met Europese regelgeving. Zij komt tot de conclusie dat ook op basis van het Europese recht en rechtspraak de toepasbaarheid van het verlaagde tarief op paddobroed afhankelijk is van het antwoord op de vraag of paddo’s levensmiddelen zijn. De A-G constateert dat de Wet in zoverre in overeenstemming is met de Zesde richtlijn. Aan de hand van de (memorie van) toelichting op de post en rechtspraak van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie komt zij tot de slotsom dat paddo’s geen voedingsmiddelen zijn, dat het Europese recht ruimte geeft aan een dergelijke (nationale) beperking, en dat derhalve broed met paddomycelium geen ‘pootgoed’ in de zin van Tabel I, post a.3 bij de Wet is en derhalve niet onder het verlaagde tarief kan worden gebracht. De A-G is van mening dat het eerste middel slaagt. De A-G is echter van mening dat dat niet tot cassatie kan leiden. Aangezien de Inspecteur bij belanghebbende te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat (verse) paddo’s levensmiddelen zijn en dat het mycelium van paddo’s ook onder het verlaagde tarief kan worden gebracht, komt zij tot de conclusie dat in deze procedures het uitgangspunt moet zijn dat paddobroed onder het verlaagde tarief kan worden gebracht. Ten aanzien van de vraag of de levering van de growkits onder het verlaagde tarief kan worden gebracht, meent de A-G dat het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn oordeel dat de levering van het broed het ‘hoofdelement’ is bij de levering van de growkits en dat het bakje en de toevoegingen daaraan bijkomstig zijn. Het oordeel van het Hof is volgens de A-G niet onvoldoende gemotiveerd, niet onbegrijpelijk en voorts verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het tweede middel faalt. Het beroep in cassatie treft derhalve geen doel. A-G van Hilten adviseert het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond te verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
