Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2013:171

Parket bij de Hoge Raad · 12-06-2013 · zaaknummer 12/03701

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 30-07-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/03701 naar aanleiding van het beroep in cassatie van B & W gemeente Tholen en het incidentele beroep in cassatie van Stichting X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 juni 2012, nr. BK-11/00190, LJN BX0629. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage ziende op de nummers 11/05565, 11/05566, 12/03692, 12/03700 en 12/03701. In deze zaken gaat het om de vraag of bepaalde delen van verzorgings- en verpleeghuizen in hoofdzaak tot woning dienen c.q. in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het antwoord daarop is van belang omdat de waarde van die delen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het zogenoemde gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting buiten aanmerking wordt gelaten. In de gemeenschappelijke bijlage staat de vraag centraal wat de hier aan te leggen maatstaven zijn. De A-G merkt op dat de ontwikkelingen in het (gemeenschappelijke) gebruik van (delen van) verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke, tot een meer gevarieerd beeld hebben geleid dan voorheen het geval was. Dat heeft de behoefte opgeroepen aan maatstaven die toepasbaar zijn op de ontstane diverse woon- en gebruikssituaties. Waar overheersen zorgfunctie en algemeen gebruik en waar de woonfunctie? Wanneer is sprake van een woning? In de afzonderlijke conclusies worden die maatstaven toegepast en worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld en beoordeeld. Om te beoordelen of een onroerende zaak al dan niet tot woning dient, moet voor de toepassing van de wet WOZ de onroerende zaak als geheel worden beoordeeld. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak is vervolgens de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Voor de onroerendezaakbelasting is het onderscheid tussen woningen en niet-woningen onder meer van belang voor het al dan niet kunnen heffen van gebruikersbelasting en eventueel voor het toepasselijke tarief van de eigenarenbelasting. Staat vast dat een onroerende zaak een niet-woning is, dan kan door een gemeente in principe gebruikersbelasting worden geheven. Artikel 220e Gemeentewet bevat ten aanzien van de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting echter een uitzondering: de waarde van gedeelten (d.w.z.: delen) van de onroerende zaak die in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning dan wel in hoofdzaak (≥70%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden, wordt bij de bepaling van de heffingsgrondslag buiten aanmerking gelaten. Aldus de A-G. In de onderhavige zaak gaat het met name om het volgende. De A-G meent dat er sprake kan zijn van ‘wonen’ als de ‘bewoners’ ergens duurzaam verblijven en minimaal kunnen beschikken over basisvoorzieningen; dat kan volgens de A-G ook in een verpleeghuis. Ook op verpleegafdelingen zal vervolgens per ‘deel’ moeten worden bezien of het in hoofdzaak tot woning dient c.q. in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. Het feit dat een onroerende zaak als geheel een andere primaire functie heeft dan wonen, sluit volgens de A-G ook bij verpleeghuizen niet uit dat delen van de onroerende zaak op zichzelf beschouwd in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Voor zover SaBeWa klaagt over het oordeel van het Hof dat de ‘patiëntenkamers met sanitair’ woondelen zijn in de zin van artikel 220e Gemeentewet, slaagt die klacht volgens de A-G. Het Hof heeft in beide gevallen namelijk slechts geoordeeld dat de woonfunctie van deze ruimten voorop staat en de verzorging is aan de woonfunctie onderschikt is. De A-G meent echter dat de intensiteit van de zorg beslissend is voor het antwoord op de vraag of de woonfunctie zodanig overheerst dat de ruimte in hoofdzaak (≥70%) dient tot woning en dat beslissend is of er een duidelijk verschil is tussen diegenen die ‘op zichzelf’ blijven wonen en alle hulp, verpleging en verzorging inkopen en diegenen die opteren voor verblijf in een complex waar alle hulp, verpleging en verzorging reeds aanwezig zijn. Voor deze patiëntenkamers kan het (onvrijwillig) delen van kamers volgens de A-G een aanwijzing zijn dat er niet vrijwillig wordt geopteerd voor verblijf in een complex. Het Hof heeft volgens de A-G onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven, zodat het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. Nu het Hof heeft vastgesteld dat die gezamenlijke ruimten uitsluitend worden gebruikt voor woondoeleinden door bewoners van de ‘eigen kamers’, waarbij door het personeel, net als in de eigen kamers, enige mate van zorg wordt verleend, geldt in beginsel dat in die gezamenlijke ruimten in dezelfde mate zorg wordt verleend als in de eigen kamers, zodat voor die gezamenlijke ruimte, naar de A-G meent, hetzelfde geldt als voor de eigen kamers. Voorts wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat ‘belanghebbende vanaf het begin het aantal vrijgestelde vierkante meters heeft betwist’, dat dit bezwaar ‘mede geacht [wordt] te omvatten dat aan bepaalde ruimten niet de vierkante meters zijn toe te kennen waarvan oorspronkelijk is uitgegaan bij de taxatie’ en dat ‘[w]anneer vervolgens daaruit een andere waarde voortvloeit (…) redelijkerwijs niet [kan] worden volgehouden dat geen bezwaar bestaat tegen de WOZ-waarde.’ Volgens SaBeWa heeft het Hof daarmee artikel 30 Wet WOZ heeft geschonden, omdat uit zowel het beroepschrift als het hogerberoepschrift nadrukkelijk zou blijken dat alleen de woondelenvrijstelling in geschil was. Die klacht treft volgens de A-G geen doel. In zijn incidentele cassatieberoep klaagt belanghebbende er volgens de A-G terecht over dat het Hof, door te beoordelen of de gangen volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Artikel 220e Gemeentewet vereist namelijk dat een gedeelte in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. De conclusie strekt ertoe dat zowel het principale beroep in cassatie van SaBeWa als het indicentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.