ECLI:NL:PHR:2013:170
Parket bij de Hoge Raad · 12-06-2013 · zaaknummer 12/03692
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/03692 naar aanleiding van het beroep in cassatie van B & W gemeente Veere en het incidentele beroep in cassatie van Stichting X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 juni 2012, nr. BK-11/00189, LJN BX0628, BB 2012/174. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage ziende op de nummers 11/05565, 11/05566, 12/03692, 12/03700 en 12/03701. In deze zaken gaat het om de vraag of bepaalde delen van verzorgings- en verpleeghuizen in hoofdzaak tot woning dienen c.q. in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het antwoord daarop is van belang omdat de waarde van die delen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het zogenoemde gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting buiten aanmerking wordt gelaten. In de gemeenschappelijke bijlage staat de vraag centraal wat de hier aan te leggen maatstaven zijn. De A-G merkt op dat de ontwikkelingen in het (gemeenschappelijke) gebruik van (delen van) verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke, tot een meer gevarieerd beeld hebben geleid dan voorheen het geval was. Dat heeft de behoefte opgeroepen aan maatstaven die toepasbaar zijn op de ontstane diverse woon- en gebruikssituaties. Waar overheersen zorgfunctie en algemeen gebruik en waar de woonfunctie? Wanneer is sprake van een woning? In de afzonderlijke conclusies worden die maatstaven toegepast en worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld en beoordeeld. Om te beoordelen of een onroerende zaak al dan niet tot woning dient, moet voor de toepassing van de wet WOZ de onroerende zaak als geheel worden beoordeeld. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak is vervolgens de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Voor de onroerendezaakbelasting is het onderscheid tussen woningen en niet-woningen onder meer van belang voor het al dan niet kunnen heffen van gebruikersbelasting en eventueel voor het toepasselijke tarief van de eigenarenbelasting. Staat vast dat een onroerende zaak een niet-woning is, dan kan door een gemeente in principe gebruikersbelasting worden geheven. Artikel 220e Gemeentewet bevat ten aanzien van de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting echter een uitzondering: de waarde van gedeelten (d.w.z.: delen) van de onroerende zaak die in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning dan wel in hoofdzaak (≥70%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden, wordt bij de bepaling van de heffingsgrondslag buiten aanmerking gelaten. Aldus de A-G. In de onderhavige zaak gaat het met name om het volgende. B & W heeft aangevoerd dat ‘[g]elet op de feitelijke situatie in de units (…) het Gerechtshof 's-Gravenhage ten onrechte heeft geconcludeerd dat de woonfunctie in voornoemde ruimten voorop staat en de zorgfunctie ondergeschikt is.’ Naar de A-G meent is er sprake van ‘wonen’ als de ‘bewoners’ ergens duurzaam verblijven en minimaal kunnen beschikken over basisvoorzieningen. Volgens de A-G is niet vereist dat iemand (achteraf bezien) ergens langdurig verblijft om te kunnen spreken van ‘duurzaam verblijf’. Voor de eigen kamers is volgens de A-G de intensiteit van de zorg beslissend voor het antwoord op de vraag of de woonfunctie zodanig overheerst dat de ruimte in hoofdzaak (≥70%) dient tot woning. Ten aanzien van de gemeenschappelijke ruimten heeft het Hof aangesloten bij het gebruik van die ruimten. Nu het Hof heeft vastgesteld dat die gezamenlijke ruimten uitsluitend worden gebruikt voor woondoeleinden door bewoners van de ‘eigen kamers’, waarbij door het personeel, net als in de eigen kamers, enige mate van zorg wordt verleend, geldt volgens de A-G in beginsel dat in die gezamenlijke ruimten in dezelfde mate zorg wordt verleend als in de eigen kamers, zodat voor die gezamenlijke ruimte hetzelfde geldt als voor de eigen kamers. Dit zal volgens de A-G na verwijzing moeten worden uitgezocht. Belanghebbende klaagt er incidenteel over dat het Hof, door te beoordelen of de gangen volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Die klacht acht de A-G terecht omdat artikel 220e Gemeentewet vereist dat een gedeelte in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. In zijn incidentele cassatieberoep klaagt belanghebbende er voorts over dat het Hof niet heeft getoetst of het woningtarief op het gehele WOZ-object van toepassing is. De vraag of het woningtarief van toepassing is op het gehele WOZ-object kan volgens de A-G echter niet met vrucht voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld, omdat de toepasselijkheid van het woningtarief een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. De conclusie strekt ertoe dat zowel het principale beroep in cassatie van B & W als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
