Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2013:169

Parket bij de Hoge Raad · 12-06-2013 · zaaknummer 12/03700

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 29-07-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/03700 naar aanleiding van het beroep in cassatie van het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Belastingen en Waardering en het incidentele beroep in cassatie van Stichting X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 juni 2012, nr. BK-11/00191, LJN BX0631. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage ziende op de nummers 11/05565, 11/05566, 12/03692, 12/03700 en 12/03701. In deze zaken gaat het om de vraag of bepaalde delen van verzorgings- en verpleeghuizen in hoofdzaak tot woning dienen c.q. in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het antwoord daarop is van belang omdat de waarde van die delen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het zogenoemde gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting buiten aanmerking wordt gelaten. In de gemeenschappelijke bijlage staat de vraag centraal wat de hier aan te leggen maatstaven zijn. De A-G merkt op dat de ontwikkelingen in het (gemeenschappelijke) gebruik van (delen van) verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke, tot een meer gevarieerd beeld hebben geleid dan voorheen het geval was. Dat heeft de behoefte opgeroepen aan maatstaven die toepasbaar zijn op de ontstane diverse woon- en gebruikssituaties. Waar overheersen zorgfunctie en algemeen gebruik en waar de woonfunctie? Wanneer is sprake van een woning? In de afzonderlijke conclusies worden die maatstaven toegepast en worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld en beoordeeld. Om te beoordelen of een onroerende zaak al dan niet tot woning dient, moet voor de toepassing van de wet WOZ de onroerende zaak als geheel worden beoordeeld. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak is vervolgens de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Voor de onroerendezaakbelasting is het onderscheid tussen woningen en niet-woningen onder meer van belang voor het al dan niet kunnen heffen van gebruikersbelasting en eventueel voor het toepasselijke tarief van de eigenarenbelasting. Staat vast dat een onroerende zaak een niet-woning is, dan kan door een gemeente in principe gebruikersbelasting worden geheven. Artikel 220e Gemeentewet bevat ten aanzien van de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting echter een uitzondering: de waarde van gedeelten (d.w.z.: delen) van de onroerende zaak die in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning dan wel in hoofdzaak (≥70%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden, wordt bij de bepaling van de heffingsgrondslag buiten aanmerking gelaten. Aldus de A-G. In de onderhavige zaak gaat het met name om het volgende. De A-G meent dat er sprake kan zijn van ‘wonen’ als de ‘bewoners’ ergens duurzaam verblijven en minimaal kunnen beschikken over basisvoorzieningen; dat kan volgens de A-G ook in een verpleeghuis. Ook op verpleegafdelingen zal vervolgens per ‘deel’ moeten worden bezien of het in hoofdzaak tot woning dient c.q. in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. Het feit dat een onroerende zaak als geheel een andere primaire functie heeft dan wonen, sluit volgens de A-G ook bij verpleeghuizen niet uit dat delen van de onroerende zaak op zichzelf beschouwd in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De klacht over het oordeel van het Hof dat de ‘eigen kamers’ woondelen zijn in de zin van artikel 220e Gemeentewet, slaagt volgens de A-G. Het Hof heeft namelijk slechts geoordeeld dat de woonfunctie van deze ruimten voorop staat en de verzorging is aan de woonfunctie onderschikt is. De A-G meent echter dat de intensiteit van de zorg beslissend is voor het antwoord op de vraag of de woonfunctie zodanig overheerst dat de ruimte in hoofdzaak (≥70%) dient tot woning en dat beslissend is of er een duidelijk verschil is tussen diegenen die ‘op zichzelf’ blijven wonen en alle hulp, verpleging en verzorging inkopen en diegenen die opteren voor verblijf in een complex waar alle hulp, verpleging en verzorging reeds aanwezig zijn. Het Hof heeft volgens de A-G onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven, zodat het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. In zijn incidentele cassatieberoep klaagt belanghebbende er volgens de A-G terecht over dat het Hof, door te beoordelen of de gangen volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Artikel 220e Gemeentewet vereist namelijk dat een gedeelte in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. Overigens wijst de A-G erop dat het Hof de heffingsmaatstaf verminderd heeft met een evenredig deel van de waarde van de onbebouwde grond. Dat acht de A-G niet juist. De onbebouwde grond is als te onderscheiden deel ofwel in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden, ofwel niet in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden, afhankelijk van de verhouding van de oppervlakte van de woondelen en de niet-woondelen van de opstal. Evenredige toerekening, zoals toegepast door het Hof, is volgens de A-G niet juist. De conclusie strekt ertoe dat zowel het principale beroep in cassatie van SaBeWa als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.