ECLI:NL:PHR:2013:168
Parket bij de Hoge Raad · 12-06-2013 · zaaknummer 11/05565
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 11/05565 naar aanleiding van het beroep in cassatie van Stichting X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 november 2011, nr. BK-10/00579, LJN BV2212. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage ziende op de nummers 11/05565, 11/05566, 12/03692, 12/03700 en 12/03701. In deze zaken gaat het om de vraag of bepaalde delen van verzorgings- en verpleeghuizen in hoofdzaak tot woning dienen c.q. in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het antwoord daarop is van belang omdat de waarde van die delen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het zogenoemde gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting buiten aanmerking wordt gelaten. In de gemeenschappelijke bijlage staat de vraag centraal wat de hier aan te leggen maatstaven zijn. De A-G merkt op dat de ontwikkelingen in het (gemeenschappelijke) gebruik van (delen van) verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke, tot een meer gevarieerd beeld hebben geleid dan voorheen het geval was. Dat heeft de behoefte opgeroepen aan maatstaven die toepasbaar zijn op de ontstane diverse woon- en gebruikssituaties. Waar overheersen zorgfunctie en algemeen gebruik en waar de woonfunctie? Wanneer is sprake van een woning? In de afzonderlijke conclusies worden die maatstaven toegepast en worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld en beoordeeld. Om te beoordelen of een onroerende zaak al dan niet tot woning dient, moet voor de toepassing van de wet WOZ de onroerende zaak als geheel worden beoordeeld. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak is vervolgens de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Voor de onroerendezaakbelasting is het onderscheid tussen woningen en niet-woningen onder meer van belang voor het al dan niet kunnen heffen van gebruikersbelasting en eventueel voor het toepasselijke tarief van de eigenarenbelasting. Staat vast dat een onroerende zaak een niet-woning is, dan kan door een gemeente in principe gebruikersbelasting worden geheven. Artikel 220e Gemeentewet bevat ten aanzien van de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting echter een uitzondering: de waarde van gedeelten (d.w.z.: delen) van de onroerende zaak die in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning dan wel in hoofdzaak (≥70%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden, wordt bij de bepaling van de heffingsgrondslag buiten aanmerking gelaten. Aldus de A-G. In de onderhavige zaak gaat het met name om het volgende. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het Hof heeft miskend ‘dat de mate van privacy en vrijelijk leven geen onderscheidende kenmerken zijn’ in het kader van artikel 220e Gemeentewet. Naar de A-G meent moet, om te beoordelen of een deel van een onroerende zaak een woonfunctie heeft, worden aangesloten bij het feitelijk gebruik dat van dat deel gemaakt wordt. Omdat ‘wonen’ veelal niet slechts in één deel van een object plaatsvindt, moet volgens de A-G worden beoordeeld of ‘wonen’ één van de functies van het WOZ-object als geheel is. De A-G vindt dat pas sprake kan zijn van ‘wonen’ als de ‘bewoners’ duurzaam in het object verblijven en minimaal kunnen beschikken over basisvoorzieningen. Het komt de A-G voor dat een aantal van degenen die in dit verzorgingstehuis verblijven niet voldoet aan dit criterium. Het betreft degenen die in het verzorgingstehuis verblijven voor kortdurende somatische zorg en voor somatische dagbehandeling. Voor zover er sprake is van een woonfunctie, zal moeten worden nagegaan welke delen (mede) ‘dienen tot woning’ dan wel (mede) ‘dienstbaar zijn aan woondoeleinden’. Voor gezamenlijke ruimten, zoals in casu het gemeenschappelijk sanitair, de gemeenschappelijke verblijfsruimten en de gemeenschappelijke keukens, geldt volgens de A-G niet zonder meer hetzelfde als voor de ‘eigen kamers’. Het gebruik van de gezamenlijke ruimten stemt namelijk niet bij voorbaat overeen met het gebruik van de eigen kamers. In casu laat het zich bijvoorbeeld denken dat de gezamenlijke ruimten zowel worden gebruikt door bewoners van woondelen als door degenen die verblijven in niet-woondelen. In dat geval kunnen gecompliceerde gebruiksverhoudingen ontstaan. Het lijkt de A-G dat onder dienstbare ruimten in ieder geval de verkeersruimten vallen. Die volgen naar zijn mening de kwalificatie van het deel of de delen waaraan zij dienstbaar zijn. Zijn de verkeersruimten zowel dienstbaar aan woondelen als aan niet-woondelen, dan moet naar zijn mening in beginsel worden aangesloten bij de verhouding van de oppervlakte van de delen waaraan het deel dienstbaar is. Het Hof heeft geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende ruimten. Het Hof heeft geoordeeld dat een ruimte (in hoofdzaak) een woonfunctie heeft, als in die ruimte als individu (of in eigen gezinsverband) in zekere mate vrijelijk kan worden verbleven. Het Hof heeft dit van essentieel belang geacht. Daarbij dient volgens het Hof ‘onder vrijelijk verblijven te worden verstaan dat in de ruimte enige privacy wordt geboden.’ Voorts dient men volgens het Hof ‘in dat kader in zekere mate over de eigen tijd te kunnen beschikken en over de ruimte waarin men die tijd doorbrengt.’ Uit het criterium ‘in hoofdzaak’ volgt volgens het Hof ‘dat de tijd en de ruimte niet volledig vrij aan de bewoners ter beschikking hoeven te staan. Wil een woonfunctie in een ruimte in hoofdzaak aanwezig zijn, dan zal vrijheid in voormelde zin de boventoon moeten voeren boven de (mogelijkheid van) inmenging door derden’, aldus het Hof. Dat oordeel van het Hof getuigt volgens de A-G van een onjuiste rechtsopvatting. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
