Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2013:16

Parket bij de Hoge Raad · 12-06-2013 · zaaknummer 11/05566

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 04-07-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 11/05566 naar aanleiding van het beroep in cassatie van Stichting X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 november 2011, nr. BK-10/00580, LJN BV2213. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage ziende op de nummers 11/05565, 11/05566, 12/03692, 12/03700 en 12/03701. In deze zaken gaat het om de vraag of bepaalde delen van verzorgings- en verpleeghuizen in hoofdzaak tot woning dienen c.q. in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het antwoord daarop is van belang omdat de waarde van die delen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het zogenoemde gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting buiten aanmerking wordt gelaten. In de gemeenschappelijke bijlage staat de vraag centraal wat de hier aan te leggen maatstaven zijn. De A-G merkt op dat de ontwikkelingen in het (gemeenschappelijke) gebruik van (delen van) verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke, tot een meer gevarieerd beeld hebben geleid dan voorheen het geval was. Dat heeft de behoefte opgeroepen aan maatstaven die toepasbaar zijn op de ontstane diverse woon- en gebruikssituaties. Waar overheersen zorgfunctie en algemeen gebruik en waar de woonfunctie? Wanneer is sprake van een woning? In de afzonderlijke conclusies worden die maatstaven toegepast en worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld en beoordeeld. Om te beoordelen of een onroerende zaak al dan niet tot woning dient, moet voor de toepassing van de wet WOZ de onroerende zaak als geheel worden beoordeeld. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak is vervolgens de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Voor de onroerendezaakbelasting is het onderscheid tussen woningen en niet-woningen onder meer van belang voor het al dan niet kunnen heffen van gebruikersbelasting en eventueel voor het toepasselijke tarief van de eigenarenbelasting. Staat vast dat een onroerende zaak een niet-woning is, dan kan door een gemeente in principe gebruikersbelasting worden geheven. Artikel 220e Gemeentewet bevat ten aanzien van de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting echter een uitzondering: de waarde van gedeelten (d.w.z.: delen) van de onroerende zaak die in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning dan wel in hoofdzaak (≥70%) dienstbaar zijn aan woondoeleinden, wordt bij de bepaling van de heffingsgrondslag buiten aanmerking gelaten. Aldus de A-G. In de onderhavige zaak gaat het met name om het volgende. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het Hof heeft miskend ‘dat de mate van privacy en vrijelijk leven geen onderscheidende kenmerken zijn’ in het kader van artikel 220e Gemeentewet. De A-G meent dat om te beoordelen of een deel van een onroerende zaak een woonfunctie heeft, moet worden aangesloten bij het feitelijk gebruik dat van dat deel gemaakt wordt. Omdat ‘wonen’ veelal niet slechts in één deel van een object plaatsvindt, moet zijns inziens worden beoordeeld of ‘wonen’ één van de functies van het WOZ-object als geheel is. Volgens de A-G kan pas sprake zijn van ‘wonen’ als de ‘bewoners’ duurzaam in het object verblijven en minimaal kunnen beschikken over basisvoorzieningen. Voor zover er sprake is van een woonfunctie, zal moeten worden nagegaan welke delen (mede) ‘dienen tot woning’ dan wel (mede) ‘dienstbaar zijn aan woondoeleinden’. Volgens de A-G is in casu voor de gedeelde twee-, vier- en zespersoonskamers, indien daarin zowel wordt gewoond als enige mate van zorg wordt verleend, de intensiteit van de zorg beslissend voor het antwoord op de vraag of de woonfunctie zodanig overheerst dat de ruimte in hoofdzaak (≥70%) dient tot woning. Daarbij is zijns inziens beslissend of er een duidelijk verschil is tussen diegenen die ‘op zichzelf’ blijven wonen en alle hulp, verpleging en verzorging inkopen en diegenen die opteren voor verblijf in een complex waar alle hulp, verpleging en verzorging reeds aanwezig is. Het delen van de kamers is volgens de A-G een aanwijzing dat er niet vrijwillig wordt geopteerd voor verblijf in een complex. In casu is het zijns inziens niet ondenkbaar dat geen van de twee-, vier- of zespersoonskamers in hoofdzaak (≥70%) dient tot woning. Dat dient volgens de A-G na verwijzing te worden uitgezocht. Voor gezamenlijke ruimten, zoals in casu het gemeenschappelijk sanitair, de gemeenschappelijke verblijfsruimten en de gemeenschappelijke keukens, geldt niet zonder meer hetzelfde als voor de gedeelde twee-, vier- en zespersoonskamers. Het gebruik van de gezamenlijke ruimten stemt namelijk niet bij voorbaat overeen met het gebruik van die kamers. In casu zou het wel zo kunnen zijn dat de gezamenlijke ruimten uitsluitend worden gebruikt door bewoners van niet-woondelen, zodat in dat geval ook voor de gezamenlijke ruimten geldt dat deze niet in hoofdzaak (≥70%) dienen tot woning. Aldus de A-G. Overigens acht de A-G onjuist de rechtsopvatting van belanghebbende, dat, ‘om te bepalen wie in hoofdzaak gebruikmaakt van een ruimte, kan worden aangesloten bij het aantal uur dat de bewoners en het zorgbiedende personeel gebruik maakt van die ruimte’. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.