ECLI:NL:PHR:2013:1312
Parket bij de Hoge Raad · 12-11-2013 · zaaknummer 13/00455
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in (sprong)cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s Gravenhage van 14 december 2012, nr. AWB 12/2295, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8894. Op 1 november 2010 is de moeder van belanghebbende, erflaatster, overleden. Belanghebbende is mede-erfgenaam. Tot de nalatenschap behoort de voormalige woning van erflaatster. De conform de Wet WOZ vastgestelde WOZ-waarde als geldend voor het jaar 2010 bedraagt € 395.000. De woning is echter op 17 februari 2011 verkocht voor € 348.000. Op grond van het vijfde lid van artikel 21 Successiewet 1956, zoals dat luidde van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012, moeten onroerende zaken die in gebruik zijn als woning ook voor de erfbelasting in aanmerking worden genomen naar de voor die onroerende zaken vastgestelde WOZ-waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt. Toepassing van het vijfde lid van artikel 21 Sw heeft tot gevolg dat voor de erfbelasting wordt uitgegaan van de WOZ-waarde zoals bepaald naar een waardepeildatum welke, ingevolge artikel 18, lid 2 Wet WOZ, is gelegen één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Omdat erflaatster is overleden in het jaar 2010, gaat het in casu om de WOZ-waarde per 1 januari 2009 ad € 395.000. Dat de woning na verkrijging door overlijden is verkocht voor minder, speelt in de opvatting van de Rechtbank geen rol bij de onderhavige waardering van de woning voor de erfbelasting. Belanghebbende bestrijdt die opvatting met vier cassatiemiddelen. Belanghebbende stelt in het eerste middel dat de onroerende zaak op het moment van overlijden niet in gebruik was als woning. Daarom is volgens belanghebbende van toepassing de hoofdregel van art. 21, lid 1, Sw, waarde per overlijdensdatum. De A-G begrijpt het betoog van belanghebbende aldus dat artikel 21, lid 5, Sw niet van toepassing zou zijn op gevallen als het onderhavige, waarin na het overlijden van een erflater geen andere bewoner van de onroerende zaak resteert, omdat de erflater de enige bewoner was. Het komt de A-G echter voor dat de wetgever met de woorden ‘onroerende zaken die in gebruik zijn als woning’ de door belanghebbende voorgestane beperking niet op het oog heeft gehad. Maatgevend voor de vraag of sprake is van een woning is, naar de A-G meent, hoe de onroerende zaak tot het moment van overlijden van de erflater werd gebruikt. Daarop stuit het eerste middel af. In het tweede middel betoogt belanghebbende dat, bij ontbreken van een toepasselijke wettelijke rangorderegeling, het eerste lid van artikel 21 Sw hier voorgaat op het vijfde lid. Volgens belanghebbende wordt met artikel 21, lid 5, Sw beoogd een benadering te geven van de waarde in het economisch verkeer van artikel 21, lid 1, Sw en is artikel 21, lid 5, Sw praktisch indien geen transactie heeft plaatsgevonden. Belanghebbende stelt zich blijkbaar op het standpunt dat indien, zoals in casu, wel een transactie heeft plaatsgevonden, door verkoop van de woning, de hoofdregel van het eerste lid, waarde in het economische verkeer ten tijde van de verkrijging, prevaleert. Lex specialis derogat legi generali. Het komt de A-G voor dat dit adagium inhoudt dat een algemeen geformuleerde wettelijke regeling moet wijken voor een meer in het bijzonder voor bepaalde gevallen geformuleerde wettelijke regeling. Daarbij speelt zijns inziens geen rol of de bijzondere regeling leidt tot een meer verfijnde of meer vereenvoudigde wettelijke behandeling. De A-G acht dan ook juist de opvatting van de Rechtbank dat, nu een wettelijke rangorderegeling ontbreekt, boven toepassing van de algemene waarderingsregel van het eerste lid van artikel 21 Sw prevaleert de bijzondere waarderingsregel voor verkrijging van een woning ingevolge het vijfde lid. Aldus strandt het tweede middel. Met het derde middel stelt belanghebbende de EVRM-vraag aan de orde of artikel 21, lid 5, Sw in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol. Die vraag kan hier in principe worden gesteld omdat erfenissen onder het ruime begrip ‘eigendom’ vallen en belastingheffing in beginsel een aantasting van het eigendomsrecht is. De volgende drie stappen in het toetsingsschema zien op de vraag of een voorliggende (fiscale) aantasting van het eigendomsrecht geoorloofd te achten is. In dat kader moet worden onderzocht of de (fiscale) maatregel voldoet aan de vereisten van (a) rechtsgeldigheid, (b) het dienen van een legitiem doel en (c) proportionaliteit. Een maatregel voldoet niet aan de eis van rechtsgeldigheid als deze geen wettelijke basis heeft of voldoende wettelijke garanties ontbreken. In de onderhavige kwestie wordt op grond van artikel 21, lid 5, Sw de hoogte van het verschuldigde bedrag aan erfbelasting gebaseerd op de voor het jaar van verkrijging vastgestelde WOZ-waarde. De A-G ziet daarin geen procedurele maar een materiële bepaling, een inhoudelijke maatstafkwestie. Dat betekent zijns inziens dat de onderhavige casus anders ligt dan het geval was in de zaak van de Fierensmarge. Volgens de A-G zijn hier voldoende processuele garanties. Dat heffing op grond van de waarde in het economische verkeer op het verkrijgingstijdstip, zoals belanghebbende voorstaat, niet met succes via een rechterlijke of andere procedure kan worden bereikt, is een gevolg van de materiële bepalingen in de Sw. Evenmin acht de A-G het proportionaliteisbeginsel geschonden doordat het effectieve tarief 7,27% zou belopen wanneer de woning voor de door belanghebbende voorgestane waarde in het economische verkeer in de heffing zou worden betrokken, in plaats van volgens de wettelijke regeling 9,38%. Het derde middel treft geen doel. In het vierde middel wordt gepleit voor een teleologische interpretatie van de wet en anticiperende interpretatie ten faveure van het aanvaarden van een tegenbewijsregeling reeds voor het jaar 2010. Volgens de A-G wijzen de wettekst en de wetsgeschiedenis echter juist op het tegendeel. Aldus faalt ook het vierde middel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
