Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2013:1193

Parket bij de Hoge Raad · 25-10-2013 · zaaknummer 13/01676

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 14-11-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Vrijval RAER; foutenleer; betekenis van HR BNB 2004/310 (fiscus is niet verplicht in oudste jaar te herstellen als wel of niet herstellen nog geen fiscale gevolgen heeft); bepaalbaarheid van de gemaakte fout Feiten: de belanghebbende is moedermaatschappij van een fiscale eenheid. Mede op grond van een rechterlijke uitspraak ter zake van een gevoegde dochtervennootschap over de reserve assurantie eigen risico (RAER) van de eenheid, had € 1.328.868 van de eenheids-RAER aan de belanghebbende moeten worden toegerekend. Nadat die rechterlijke uitspraak in 2008 definitief werd en in 2009 de partijen het eens werden over de verdeling van de RAER over de verschillende eenheidsmaatschappijen, wilde de Inspecteur het genoemde bedrag primair in het oudste nog openstaande jaar (2004) belasten op basis van de foutenleer en subsidiair vanaf van 2000 jaarlijks voor een tiende deel belasten op basis van art. 70ba Wet IB 1964. In geschil was of de Inspecteur de - achteraf bezien - aan de belanghebbende toerekenbare RAER, nu hij tijdig van de feiten op de hoogte was, niet reeds in het eerste jaar waarin correctie van die RAER tot andere fiscale gevolgen zou hebben geleid, had moeten corrigeren. Dat jaar lag vóór 2004. De Rechtbank en het Hof waren het primair met de Inspecteur eens. Cassatiemiddel belanghebbende: uit HR BNB 2004/310 volgt dat de foutenleer de Inspecteur geen basis biedt om de RAER in 2004 te belasten, nu correctie van de RAER reeds in eerdere jaren tot andere fiscale gevolgen zou hebben geleid, en hij de gegevens had om - desnoods tot behoud van recht - eerder te corrigeren. Voorwaardelijk cassatiemiddel Staatssecretaris: de feitenrechters hebben een rekenfout gemaakt ad € 300 in het voordeel van de belanghebbende. Incidenteel voorwaardelijk cassatiemiddel Staatssecretaris: de belanghebbende komt geen beroep op art. 70ba Wet IB 1964 toe. A-G Wattel meent dat belanghebbendes beroep op HR BNB 2004/310 haar slechts kan baten als de Inspecteur reeds vóór 2009 voldoende concreet bekend was met de fouten per jaar per eenheidsmaatschappij in de jaren 2000 t/m 2003 om tot correcties over te gaan die niet na afloop van de over de RAER lopende procedures weer opnieuw gecorrigeerd zouden moeten worden. ’s Hofs al dan niet impliciete oordeel dat die fouten voor de Inspecteur onvoldoende bepaalbaar en plaatsbaar waren totdat de partijen in 2009, na de onherroepelijke rechterlijke vaststelling van het totale RAER-aansluitingsverschil, dat totaal over de verschillende eenheidsmaatschappijen verdeeld hadden, acht de A-G feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris is gegrond. De feitenrechters hebben zich - ook volgens de belanghebbende - € 300 verrekend. Het voorwaardelijke incidentele beroep van de Staatssecretaris is volgens de A-G zonder voorwerp, nu de belanghebbende, die zich in cassatie niet verzet tegen ’s Hofs niet-toepassing van art. 70ab Wet IB 1964, zich na verstrijken van de cassatietermijn niet met vrucht alsnog op een keuze ex die bepaling kan beroepen. Conclusie: cassatieberoep belanghebbende ongegrond, incidenteel beroep Staatssecretaris gegrond en voorwaardelijk incidenteel beroep Staatssecretaris buiten behandeling laten.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.