ECLI:NL:PHR:2013:1138
Parket bij de Hoge Raad · 22-10-2013 · zaaknummer 13/01356
Inhoudsindicatie
[X] (hierna: belanghebbende) verhuurt kunstwerken aan de Dienst Musea voor Moderne Kunst van de gemeente [Q]. In geschil is of de door belanghebbende verhuurde kunstwerken kwalificeren als voorwerpen van kunst die hoofdzakelijk ter belegging dienen als bedoeld in artikel 5.8 Wet IB 2001 De rechtbank heeft overwogen dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, de verhuurde kunstwerken hoofdzakelijk als belegging dienen. Het hof is van oordeel dat door de verhuur van de kunstwerken, belanghebbende bewerkstelligt dat hij deze bezittingen rendabel maakt op een zodanige wijze dat deze bezittingen hoofdzakelijk als belegging dienen, waardoor de waarde van de kunstwerken tot de grondslag uit sparen en beleggen dient te worden gerekend. A-G Niessen concludeert dat in het oordeel van het hof ligt besloten het feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat de onderhavige verhuur niet kan worden opgevat als het voor wetenschappelijke of culturele doelstellingen ter beschikking stellen zoals bedoeld in de parlementaire geschiedenis. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt dat de vraag of een zaak overwegend een beleggingskarakter heeft, afhankelijk is van de aard, de hoeveelheid, de waarde en het gebruik van de zaak, maar vooral ook van de intentie van belastingplichtige. De diverse tijdens de parlementaire behandeling gehouden vertogen en gegeven voorbeelden gaan steeds uit van gevallen waarin een belastingplichtige voorwerpen van kunst en/of wetenschap bezit zonder deze door verhuur of anderszins direct rendabel te maken doch rechtstreeks of onrechtstreeks speculeert op een waardestijging. Dat ingeval van verhuur – in de regel – sprake is van ten minste hoofdzakelijk dienen als belegging, is naar het de A-G voorkomt juist daarom niet uitdrukkelijk in de gedachtenwisseling aan de orde gekomen, omdat dit voor de deelnemers aan het debat evident was. Nu belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waarom in zijn geval de verhuur niet als “hoofdzakelijk beleggen” kan worden aangemerkt, acht de A-G de tegen ’s Hofs oordeel gerichte klachten dan ook ongegrond. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
