ECLI:NL:PHR:2012:BU2064
Parket bij de Hoge Raad · 24-01-2012 · zaaknummer 11/02824 W
Inhoudsindicatie
WOTS-zaak. Het middel dat ervan uitgaat dat de Rb heeft geoordeeld dat de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden, en de Rb daarom in haar uitspraak had dienen aan te geven in welke vorm of mate de straf deswege is verlaagd, berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. De Rb heeft in haar overwegingen tot uitdrukking gebracht dat weliswaar sprake is van een onwenselijk lange duur van de teruglevering, maar niet van een onredelijk lange duur i.d.z.v. art. 6.1. EVRM. Het kennelijke oordeel van de Rb dat de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is aangevangen met de betekening van de vordering van de OvJ a.b.i. art. 18.1 WOTS tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van de door de Duitse rechter aan de veroordeelde opgelegde sanctie, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR LJN AA5530). Het daarop gebaseerde oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden is in het licht van hetgeen door en namens de veroordeelde is aangevoerd niet onbegrijpelijk. De HR merkt nog op dat ingeval de redelijke termijn wel is overschreden, de rechter bij de strafoplegging a.b.i. art. 31.1 WOTS op dezelfde voet als waarop dat voor gewone strafzaken blijkens HR LJN BD2578, rov. 3.24 geldt, in haar uitspraak behoort te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
