ECLI:NL:PHR:2011:BQ4673
Parket bij de Hoge Raad · 13-12-2011 · zaaknummer 10/01390
Inhoudsindicatie
Eenvoudige bankbreuk, art. 340 Sr. Het Hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359.2 tweede volzin Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 340 aanhef en onder 1° Sr toepassing mist wanneer de nadien gefailleerde “slechts tijdelijk geringere inkomsten had” en dat deze alsdan “geen opzet heeft gehad met betrekking tot de benadeling van de faillissementsschuldeisers” is onjuist. Zij miskent allereerst dat voormelde wetsbepaling het oog heeft op het geval waarin de “verteringen buitensporig zijn geweest”, hetgeen inhoudt dat de verteringen hetzij niet met de inkomsten in verhouding hebben gestaan hetzij bij verminderde inkomsten onnodig groot gehouden of vermeerderd zijn. Voorts miskent zij dat art. 340 Sr niet eist dat de dader daarbij heeft gehandeld met het opzet op de benadeling van zijn schuldeisers.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
