Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3309

Parket bij de Hoge Raad · 24-04-2007 · zaaknummer 00966/05 B

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Bezwaarschriftprocedure ex art. 262 Sv. Taak wetgever. 1. Geen bevelbevoegdheid obv art. 2 Politiewet 1993? 2. Krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel ex art. 184.1 Sr. Door een hoofdagent van de Spoorwegpolitie is aan verdachte het bevel gegeven zich te verwijderen uit Amsterdam CS waaraan verdachte niet heeft voldaan. Ad 1. Terecht wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat sprake is van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel a.b.i. art. 184 Sr . Vzv. het hof immers die bevoegdheid heeft gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, nu daaruit niet een bevoegdheid tot het geven van bevelen als i.c. kan worden afgeleid. Ad 2. Van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel ex art. 184.1 Sr kan slechts sprake zijn indien dit bevel is gegeven in overeenstemming met een op dat wettelijk voorschrift berustende bevoegdheid (HR NJ 1991, 423 en HR NJ 2003, 80). Het ARV berustte t.t.v. het tenlastegelegde op art. 27 Spoorwegwet 1875. Art. 7 ARV richt zich tot een ieder die zich als niet-reiziger op een station bevindt met het gebod de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen die hem “door of vanwege de spoorweg” duidelijk kenbaar zijn gemaakt. Deze bepaling zelf houdt niet in dat en welke (rechts)personen zijn belast met de wettelijke taak van het toezicht op de naleving van dit voorschrift, terwijl zij evenmin inhoudt dat opsporingsambtenaren dergelijke aanwijzingen mogen geven. In de Spoorwegwet 1875 ontbreekt een overeenkomstig voorschrift als vervat in art. 87 WPV 2000. Het opvullen van deze lacune gaat de taak van de HR te buiten.Vzv. ’s hofs oordeel dat het bevel i.c. bevoegd is gegeven i.d.z.v. van art. 184.1 Sr berust op de opvatting dat dit bevel is gegeven krachtens art. 7 ARV of enig voorschrift van de Spoorwegwet 1875, is het onjuist. Tot het geven van het bevel ontbreekt immers een daartoe strekkend voorschrift dat de met uitoefening van het toezicht belaste ambtenaar of (rechts)persoon of opsporingsambtenaar daartoe uitdrukkelijk bevoegd verklaart. Het (opzettelijk) niet opvolgen van de in art. 7 ARV bedoelde aanwijzing die door de tot de dienst Spoorwegpolitie behorende opsporingsambtenaar is gegeven, kan dan ook niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan een bevel “krachtens art. 7, lid 2 van het ARV” of “krachtens een wettelijk voorschrift”, gedaan door een “ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” i.d.z.v. art. 184.1 Sr. Met zodanig toezicht zijn bij of krachtens de Spoorwegwet 1875 ook niet NS Reizigers BV en NS Stations B.V. belast, zodat reeds daarom van een door deze rechtsgeldig verleend (onder)mandaat tot het geven van bedoeld bevel geen sprake kan zijn. De HR doet de zaak zelf af en verklaart het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond en stelt verdachte buiten vervolging. CAG: anders.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.