Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2006:AX9180

Parket bij de Hoge Raad · 31-10-2006 · zaaknummer 01566/05

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Minerva-zaak. 1. Schuld ex art. 308 Sr. 2. Spelexceptie. 3. Pleitnota geen wettig bewijsmiddel. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel - i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen - uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ’s Hofs oordeel omtrent de bewezenverklaarde schuld is in de kern op het volgende gebaseerd: a. verdachte heeft in een relatief kleine ruimte met zo’n 30 personen, van wie velen alcoholhoudende drank hadden genuttigd, met een zeer grote en zware tafel tegen deuren geramd teneinde die deuren open te krijgen; b. verdachte heeft actief meegedaan in het gebeuren, dat al was voorafgegaan door het niet ongevaarlijk via een trap naar beneden brengen van deze tafel; c. verdachte was op de hoogte van het evident gevaarzettende karakter van dit handelen; d. verdachte had, gelet op het gevaarzettend gedrag, bedacht kunnen en moeten zijn op onvoorspelbaar gedrag van het slachtoffer, dat als bestuurslid geacht werd het naar buiten brengen van de tafel te verhinderen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het bestanddeel schuld en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat ook als het toebrengen van het letsel aan het slachtoffer voor verdachte niet (meer) vermijdbaar zou zijn geweest a.g.v. de gedragingen van slachtoffer en medeverdachten, deze omstandigheid mede door verdachte en zijn medeverdachten in het leven is geroepen. Ad 2. Vooropgesteld moet worden dat indien de letsel veroorzakende gedragingen zijn begaan in een min of meer reguliere sport- of spelsituatie, van schuld a.b.i. art. 308 Sr in de regel minder snel sprake zal zijn, dan indien diezelfde gedragingen buiten zo’n situatie zijn begaan. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het heeft geoordeeld dat i.c. geen sprake was van een dergelijke spelsituatie die aan een bewezenverklaring van schuld in de weg zou staan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat uit de bewijsmotivering volgt dat weliswaar sprake was van zeer gevaarzettend handelen, maar niet van een door duidelijke spelregels afgebakend spel. 3. Verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet ex art. 279.1 Sv, als zodanig optreedt, kunnen niet als wettige bewijsmiddelen gelden (HR NJ 1981, 13 en HR NJ 2002, 340). Daarmee valt niet te verenigen dat een door de raadsvrouwe overgelegde pleitnota wel als zodanig zou kunnen gelden. Een dergelijke pleitnota kan dus niet worden aangemerkt als een wettig bewijsmiddel, meer i.h.b. niet als een ander geschrift a.b.i. art. 344.1.5° Sv. Dat geldt ook t.a.v. een pleitnota van een raadsman van een medeverdachte.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.