ECLI:NL:PHR:1978:AC1204
Parket bij de Hoge Raad · 10-01-1978 · zaaknummer 69307
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Executie-uitlevering opgeëiste persoon (Duitse nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. meerdere diefstallen. 1. HR als cassatierechter. Ongenoegzaamheid van stukken, art. 12.2.a EUV. Blijkt uit overgelegde stukken dat beslissingen van Duitse rechters rechtsgeldig en voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn? 2. HR als feitenrechter. Verweer dat opgeëiste persoon Nederlands onderdaan is a.b.i. art. 6.1.a en 6.1.b EUV. Ad 1. Het behoort niet tot taak van Nederlandse rechter om bij behandeling van verzoek tot uitlevering te onderzoeken of verklaringen, die bij uitleveringsverzoek zijn overgelegd, door buitenlandse rechter terecht zijn afgegeven. HR zal doen wat Rb had behoren te doen. Ad 2. Door overlegging van vonnissen van Duitse gerechten en verklaringen is voldaan aan eis, die is gesteld in art. 12.2.a EUV. In uitspraken van Duitse rechters vermelde feiten, die beantwoorden aan omschrijvingen van delicten in art. 310 en 311 jo. 45 en 47 Sr, zijn krachtens wetten zowel van Bondsrepubliek Duitsland als van Nederland strafbaar gesteld met vrijheidsstraf met maximum van meer dan 1 jaar. Overgelegd besluit van Duits gerecht houdt in dat is herroepen eerder besluit van dat gerecht, dat inhoudt aan opgeëiste persoon verleende “Strafaussetzung zur Bewährung” m.b.t. strafrestant van 365 dagen t.z.v. vonnis van Duits gerecht. Uitleveringsverzoek is aan opgeëiste persoon medegedeeld bij hem betekende vordering. Deze vonnissen bevatten overzicht van feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige vermelding van tijd en plaats waarop die zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en verwijzing naar (in afschrift bijgevoegde) toepasselijke wetsbepalingen. Uitspraak van Rb vermeldt dat opgeëiste persoon ter zitting van Rb heeft verklaard dat hij in uitleveringsverzoek bedoelde persoon is en dat hij niet Nederlandse nationaliteit bezit. P-v van zitting van Rb houdt in dat raadsman heeft betoogd dat opgeëiste persoon Nederlands onderdaan is a.b.i. art. 6.1.a en 6.1.b EUV. Uit tekst van art. 6.1.a en 6.1.b EUV, verklaring van Nederland bij die bepaling en wetsgeschiedenis bij goedkeuringswet van EUV (vraag of opgeëiste persoon een in Nederland “gewortelde” vreemdeling is, komt niet aan de orde bij rechterlijke beslissing omtrent toelaatbaarheid van uitlevering) volgt dat dit verweer geen doel treft. Nu is voldaan aan de door Uitleveringswet en verdrag gestelde eisen en niet is gebleken van enige omstandigheid die aan toelaatbaarverklaring van gevraagde uitlevering in de weg staat, behoort uitlevering toelaatbaar te worden verklaard, gelet op art. 2 en 6 EUV en art. 45, 57, 310 en 311 Sr. HR verklaart uitlevering toelaatbaar.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
