ECLI:NL:OGHACMB:2017:81
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 08-05-2017 · zaaknummer HLAR 79715/16 en 79716/16
Inhoudsindicatie
Zoals het Hof eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 2 december 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2092 en 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:37) strekt paragraaf 3.1.1 van de Richtlijnen ertoe te voorkomen dat de minister, voordat deze kan beoordelen of een vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, door diens aanwezigheid in Sint Maarten voor voldongen feiten wordt geplaatst. Appellanten betogen terecht dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat uit paragraaf 3.1.1 van de Richtlijnen volgt dat bij een eerste aanvraag om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf onder alle omstandigheden het uitlandigheidsvereiste geldt. Volgens die paragraaf kan een aanvraag op grond van artikel 9 van de Ltu worden afgewezen indien een vreemdeling reeds illegaal in Sint Maarten verblijft, tenzij er goede gronden door de aanvrager worden aangevoerd. Appellanten hebben in dit verband aangevoerd dat zij hun aanvragen eerst hebben ingediend nadat een vestigings- en directievergunning was verleend. Dit is overeenkomstig paragraaf 3.3.2 van de Richtlijnen.
Advocaten
- A.O. Muller
- B.B. Brooks
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
