ECLI:NL:OGEAM:2024:38
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · 25-07-2024 · zaaknummer SXM202100937, SXM202100938, SXM202101636 en SXM2021011637
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft zich in 2012 in Sint Maarten ingeschreven. Belanghebbende heeft eveneens in 2012 te Sint Maarten een vennootschap (NV) opgericht. Alle aandelen zijn in handen van belanghebbende. Begin 2013 heeft de NV een overeenkomst met het Ministerie van Algemene zaken van Sint Maarten gesloten voor het verrichten van advieswerkzaamheden voor de periode van 1 december 2012 tot en met 31 december 2014. Belanghebbende heeft op 1 april 2015 bij Dienst Burgerzaken van Sint Maarten aangegeven dat hij Sint Maarten verlaat om zich te gaan vestigen in Nederland. Aan belanghebbende zijn in 2016 aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor de jaren 2013 en 2014 opgelegd in verband met de hiervoor vermelde verrichte advieswerkzaamheden. Aanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? Hetgeen partijen in eerste instantie verdeeld houdt, is aan wie de aanslagen ter zake van de ten behoeve van het Land Sint Maarten verrichte advieswerkzaamheden moeten worden opgelegd: aan belanghebbende of aan de NV. Het Gerecht is van oordeel dat voor het gehele jaar 2013 en voor het jaar 2014 voor de periode tot 1 september 2014 de inkomsten uit advieswerkzaamheden aan belanghebbende dienen te worden toegerekend en zijn genoten als winst uit onderneming en voor de periode nadien aan de NV. Vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? Voorts zijn voor de jaren 2013 en 2014 gelijktijdig met de (taxatieve) aanslagen inkomstenbelasting vergrijpboetes van 50% opgelegd. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de boetes voor de jaren 2013 en 2014 ten onrechte opgelegd en dienen deze vernietigd te worden. Ingevolge artikel 20 van de ALL kunnen immers alleen boetes worden opgelegd ter zake van navorderingsaanslagen en niet ter zake van aanslagen. (Integrale) proceskostenvergoeding Tenslotte stelt belanghebbende dat een opeenstapeling van (ernstige) onzorgvuldigheden moet leiden tot een integrale proceskostenvergoeding. In bijzondere omstandigheden kan van een forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Anders dan belanghebbende voorstaat, vindt het Gerecht echter geen aanleiding voor een integrale kostenvergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand. Naar het oordeel van het Gerecht kan de Inspecteur immers niet het verwijt worden gemaakt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Evenmin is sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Volstaan kan worden met een forfaitaire kostenvergoeding.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
