ECLI:NL:HR:2026:69
Hoge Raad · 20-01-2026 · zaaknummer 23/02479
Inhoudsindicatie
Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. productie van cocaïne en heroïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM) in pand in Rotterdam. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Heeft hof toereikend gemotiveerd op hetgeen namens verdachte “in e.a. en in hoger beroep” is aangevoerd over (on)betrouwbaarheid van de door getuige afgelegde verklaringen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verweren die ttz. in e.a. zijn gevoerd maar in h.b. niet zijn herhaald, behoeven door hof niet te worden besproken. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt niet dat aldaar in e.a. gevoerde verweren zijn herhaald. Voorts is rechter niet verplicht te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens verdachte ttz. uitdrukkelijk is voorgedragen. Uit p-v van tz. in h.b. kan (afgezien van enkele opmerking van verdachte dat verklaring van zijn ex-vrouw niet klopt en dat zij zijn leven wil kapotmaken door leugens) niet worden afgeleid dat verdachte of zijn raadsvrouw m.b.t. betrouwbaarheid van die verklaringen enig verweer heeft gevoerd. Volgt verwerping. Samenhang met 23/02613.
Advocaten
- D.J.C. Aben
- M.J. van Berlo
- R.J. Baumgardt
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
