Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2026:20

Hoge Raad · 06-01-2026 · zaaknummer 25/02310

StrafrechtGepubliceerd 03-01-2026
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Noord-Macedonische en Bulgaarse nationaliteit) naar Noord-Macedonië t.z.v. poging tot doodslag gepleegd in 2005. Redelijke termijn in strafprocedure in Noord-Macedonië. Verweer dat sprake is van voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM gelet op forse overschrijding van redelijke termijn, nu Noord-Macedonische strafprocedure bijna 19 jaren heeft geduurd. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij beoordeling van uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van vertrouwen dat verzoekende Staat bij vervolging en berechting van opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in EVRM en IVBPR zal respecteren. Gelet op systeem van Uitleveringswet is in uitleveringszaken het oordeel over vraag of verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens gegrond vermoeden dat bij inwilliging van verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM voorbehouden aan minister en zal hij bij bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Als echter komt vast te staan dat in zaak waarvoor uitlevering is gevraagd sprake is van voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren. Als het gaat om verzoek tot uitlevering voor tenuitvoerlegging van rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in zaak die tot die veroordeling heeft geleid, flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6.1 EVRM, is het aan uitleveringsrechter te beslissen over vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om beroep op flagrante inbreuk op art. 14.1 IVBPR. Het gaat hier dus om beroep op voltooide flagrante schending van deze verdragsbepaling(en) (vgl. HR:2017:463). Mede onder verwijzing naar nr. 8139/09 (Othman/Verenigd Koninkrijk) heeft EHRM in nr. 71537/14 (Harkins/Verenigd Koninkrijk) gevallen waarin sprake is van “flagrant denial of justice” omschreven. Opvatting dat (zeer) forse overschrijding van redelijke termijn in strafrechtelijke procedure in verzoekende Staat die heeft geleid tot uitspraak met het oog op tul waarvan uitlevering is verzocht, op zichzelf (en dus ook zonder dat kan worden vastgesteld dat die overschrijding ertoe heeft geleid of eraan heeft bijgedragen dat sprake is van zodanig ernstige inbreuk op verdedigingsrechten dat recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6.1 EVRM in die procedure flagrant is geschonden) aan toelaatbaarverklaring van uitlevering in de weg staat, vindt mede in het licht van hiervoor genoemde uitspraak van EHRM geen steun in recht. Volgt verwerping.

Advocaten

  • N.F. Christiansen
  • V.M.A. Sinnige

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.