ECLI:NL:HR:2026:189
Hoge Raad · 10-02-2026 · zaaknummer 24/02860
Inhoudsindicatie
Onderzoek Vidar. Medeplegen poging tot uitvoer van cocaïne (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van buiten grondgebied van Nederland brengen van cocaïne worden afgeleid? O.g.v. art. 1.5 Opiumwet is ‘onder buiten grondgebied van Nederland brengen’ a.b.i. art. 2.A Opiumwet mede begrepen het met bestemming naar buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden (vgl. HR:2004:AM2529). HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:388 en HR:2023:479 m.b.t. vereisten voor strafbare poging. Hof heeft vastgesteld dat verdachte en A-4110 afspraken dat zij op 4-9-2018 A-4133 zouden ontmoeten bij hotel in Leeuwarden. Bij die ontmoeting bestelde A-4133 1 kilo cocaïne bij verdachte en gaf daarbij te kennen dat hij cocaïne nog diezelfde avond zou willen afnemen en dat iemand anders cocaïne mee terug naar ‘huis’ zou nemen. Verdachte liet toen weten hierover met vriend (mededader) te willen spreken en cocaïne in Amsterdam te zullen gaan halen zodat hij deze nog dezelfde avond zou kunnen leveren. Mededader regelde met zijn broer dat er kilo cocaïne in Amsterdam zou klaarliggen. Verdachte en mededader spraken met afnemers A-4110 en A-4133 af dat zij hen in Amsterdam zouden ontmoeten met het oog op overdracht, waarbij A-4110 en A-4133 geld zouden meenemen. Later die avond vertrokken verdachte en mededader met auto naar Amsterdam en enige tijd daarna arriveerden zij daar vlakbij afgesproken locatie, terwijl A-4110 en A-4133 iets later arriveerden op die locatie. Vervolgens vertelde verdachte hun dat hij ‘het ding’ had gezien, dat het ‘niet goed’ was en dat hij het niet kon versturen. Verdachte en mededader hebben nog geprobeerd om via andere leverancier kilo cocaïne geleverd te krijgen voor A-4133. Dit is echter niet doorgegaan omdat cocaïne van tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd beschikbaar zou zijn, en omdat A-4133 volgende dag verhinderd was om cocaïne op te halen. Op deze vaststellingen heeft hof zijn oordeel gebaseerd dat samenstel van gedragingen van verdachte en mededader “naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op prompte voltooiing van voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk 1 kilo cocaïne met bestemming naar buitenland ten vervoer aan te bieden”, en dat dat samenstel daarmee kan worden beschouwd als begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en strafbare poging oplevert. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat vastgestelde gedragingen van verdachte en mededader in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op voltooiing van voorgenomen misdrijf om cocaïne met bestemming naar buitenland ten vervoer aan te bieden. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842 en 24/02918 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Advocaten
- A.A. Boersma
- D.J.M.W. Paridaens
- M.J. van Berlo
- R.J. Baumgardt
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
