Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2026:125

Hoge Raad · 30-01-2026 · zaaknummer 24/00082

StrafrechtGepubliceerd 28-01-2026
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Martelcontainerzaak. Deelneming aan criminele organisatie die plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft (art. 140.1 Sr). Ne bis in idem, art. 68 Sr. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in vervolging t.z.v. deelneming aan criminele organisatie in deze zaak (26Douglasville), nu verdachte eerder in zaak 26Sartell onherroepelijk is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 t.a.v. beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. Hof heeft bij zijn oordeel over vraag of tll. in deze zaak (26Douglasville) hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr betreft als feit dat is opgenomen in tll. in zaak 26Sartell, het volgende in aanmerking genomen. (i) Juridische aard van beide tlgd. feiten is grotendeels hetzelfde, maar er bestaan 2 belangrijke verschillen. Ten eerste, OM heeft in zaak 26Sartell tll. kennelijk mede (wat betreft daarin genoemde Opiumwetdelicten) toegesneden op art. 11b Opiumwet, zodat in die zaak tlgd. criminele organisatie naar zijn aard andersoortige criminele organisatie is dan in zaak 26Douglasville tlgd. criminele organisatie. Daarnaast is er, gelet op strafmaxima die op feiten zijn gesteld, belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties. (ii) Wat betreft aard van tlgd. gedragingen is allereerst van belang dat criminele organisatie in zaak 26Sartell volgens tll. een organisatie betreft die plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten tot oogmerk had, terwijl tll. in zaak 26Douglasville organisatie betreft die plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft. Daarin komt (in de aan hof voorbehouden uitleg van tll.) als bedoeling van opsteller van tll. tot uitdrukking dat in zaak 26Douglasville aan verdachte deelneming aan andersoortige criminele organisatie wordt verweten dan criminele organisatie in zaak 26Sartell. (iii) Daarnaast is wat betreft aard van tlgd. gedragingen van belang dat tlgd. periodes, pleegplaatsen en groep van deelnemers van tlgd. criminele organisatie aanzienlijk verschillen. Deze verschillen moeten daarbij worden gezien tegen achtergrond van omstandigheden zoals die uit onderzoek naar voren komen en die inhoud van onderscheiden tenlasteleggingen hebben bepaald. Deze omstandigheden houden in dat aanvankelijk sprake was van criminele organisatie die zich uitsluitend bezighield met grootschalige invoer van en handel in cocaïne en witwassen van inkomsten die daaruit voortvloeiden en dat oogmerk van die organisatie alleen daarop was gericht (organisatie waarop zaak 26Sartell betrekking had). Door 2 bijzondere omstandigheden (diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en liquidatie van 1 van leden) is organisatie “vizier gaan verleggen” en is deze zich ook gaan bezighouden met (voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van organisatie en haar deelnemers, onder wie verdachte. Die gedragingen vonden plaats in veel beperktere periode en met grote groep andere deelnemers. O.g.v. deze overwegingen is hof tot oordeel gekomen dat niet sprake is van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr. V.zv. hof dit oordeel heeft doen steunen op onder (i) genoemde overweging, heeft het miskend dat verdachte in zaak 26Sartell is vervolgd voor (o.m.) deelneming aan criminele organisatie a.b.i. art. 140 Sr en niet voor deelneming aan criminele organisatie a.b.i. art. 11b Opiumwet. Juridische aard van tlgd. in zaak 26Sartell en in deze zaak 26Douglasvillle is in zoverre niet verschillend. Dit leidt echter niet tot cassatie, nu onder (ii) en (iii) genoemde overwegingen ’s hofs oordeel zelfstandig kunnen dragen. Daaruit volgt immers dat deelneming aan de op drugshandel gerichte organisatie waarop tll. in zaak 26Sartell betrekking heeft, en deelneming aan de op plegen van geweld gerichte organisatie waarop tll. in zaak 26Douglasville betrekking heeft, niet in zodanig verband met elkaar staan dat moet worden gesproken van 1 feitencomplex en dat dus sprake is van aanzienlijk verschil in gedragingen van verdachte waarop onderscheiden tenlasteleggingen betrekking hebben. Daaraan doet niet af dat, zoals in die overwegingen van hof tot uitdrukking komt, in deze zaak aanvankelijk sprake was van samenwerkingsverband dat zich uitsluitend bezighield met drugshandel en dat a.g.v. gewijzigde omstandigheden men zich vanuit dit samenwerkingsverband, zij het in gedeeltelijk andere samenstelling, ook ging richten op (voorbereiding van) geweldsdelicten. Zo’n omstandigheid staat er immers niet aan in de weg dat verdachte wordt verweten aan meerdere organisaties a.b.i. art. 140 Sr te hebben deelgenomen, mits in feitelijk opzicht voldoende duidelijk verschil kan worden gemaakt wat betreft misdrijven waarop organisatie oogmerk heeft, en gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met verwezenlijking van dat oogmerk, één en ander zoals omschreven in betreffende tenlasteleggingen. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met HR:2025:1515, HR:2025:1516, HR:2025:1517 en HR:2025:1518 en met 23/05006 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.