ECLI:NL:HR:2026:114
Hoge Raad · 27-01-2026 · zaaknummer 24/01481
Inhoudsindicatie
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994) en veroordeling t.z.v. rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Kan uit omstandigheid dat hof heeft vastgesteld dat verdachte 22 dagen vóór dit feit ook staande is gehouden voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en dat politieambtenaar tijdens verhoor aan verdachte heeft medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was, worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte op 7-5-2022 (22 dagen vóór tlgd. feit) is staande gehouden wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en dat hem toen tijdens politieverhoor in persoon is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hof heeft niettemin geoordeeld dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte zich in verhoor van 7-5-2022 steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en dat verdachte heeft verklaard dat hij zich dit verhoor niet kan herinneren, hij geen brief heeft ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard en hij op 29-5-2022 niet ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was. Op zichzelf heeft hof bij beantwoording van vraag of tlgd. kan worden bewezenverklaard, terecht tot uitgangspunt genomen dat bewijs van (redelijkerwijs moeten) weten o.m. kan worden ontleend aan (i) verklaring van verdachte die is afgelegd “bij gelegenheid van verhoor van verdachte na eerdere constatering van overtreding van art. 9 WVW 1994”, mits die verklaring “voldoende ondubbelzinnig” is, of (ii) “mededeling ter zake ongeldigheid door verhorende opsporingsambtenaar” bij gelegenheid van zo’n verhoor. In ’s hofs overwegingen ligt echter besloten dat hof ook is uitgegaan van opvatting dat bewijs van (redelijkerwijs moeten) weten pas kan worden ontleend aan hiervoor genoemde mededeling van opsporingsambtenaar als verdachte daarop heeft gereageerd met verklaring waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij die mededeling heeft begrepen. Die opvatting is onjuist. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Rechters
Advocaten
- V.M.A. Sinnige
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
