ECLI:NL:HR:2025:97
Hoge Raad · 28-01-2025 · zaaknummer 23/04051
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling (art. 302.1 Sr). Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof begroting van immateriële schade toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 over begroting door rechter van immateriële schade. Hof heeft vastgesteld dat verdachte de aangever omver heeft geduwd en hem vervolgens meermalen tegen hoofd heeft geschopt en geslagen. Verder heeft hof vastgesteld dat dit geweld op aangever “flinke impact” heeft gehad en dat hij fysieke gevolgen van geweld heeft ervaren in vorm van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat b.p. als gevolg van bewezenverklaard handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat gevorderd geldbedrag van € 2.500 wegens immateriële schade het hof billijk voorkomt en daarom volledig toewijsbaar is. Daarbij heeft hof gelet op aard en ernst van de door verdachte jegens aangever begane normschending. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat door verdediging in hoger beroep niet meer is aangevoerd dan dat “gevorderde immateriële schade sterk zou moeten worden gematigd, nu deze niet goed is onderbouwd” en dat zij dus niet heeft betwist dat aangever a.g.v. bewezenverklaarde het door hof vastgestelde letsel heeft opgelopen. Volgt verwerping. CAG: anders.
Advocaten
- A.E. Harteveld
Partijen
[benadeelde]
benadeelde · onbekend
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
