ECLI:NL:HR:2025:819
Hoge Raad · 27-05-2025 · zaaknummer 23/04121
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. verkoop en invoer van cocaïne, art. 10a.1.1 en 10a.1.2 Opiumwet. 1. Is bij de door opsporingsambtenaren verrichte handelingen sprake geweest van pseudo-dienstverlening a.b.i. art. 126i Sv? 2. Kon optreden van opsporingsambtenaren mede plaatsvinden o.g.v. art. 3 Politiewet? Ad 1. Art. 126i Sv betreft o.m. bevoegdheid tot pseudo-dienstverlening. Hiervan is sprake bij het door opsporingsambtenaar aan verdachte verlenen van dienst. Gelet op wetsgeschiedenis bij art. 126i Sv (waarin als voorbeeld wordt gegeven het te huur aanbieden van loods en waarin wordt gewezen op toepasselijkheid van strafuitsluitingsgrond van art. 43 Sr in relatie tot het handelen van pseudo-dienstverlener) gaat het bij pseudo-dienstverlening in de regel om gedraging van opsporingsambtenaar waarmee het begaan van strafbaar feit wordt gefaciliteerd. Daarbij is onderscheid met stelselmatige inwinning van informatie a.b.i. art. 126j Sv erin gelegen dat bij die informatie-inwinning niet wordt deelgenomen aan het plegen of beramen van strafbare feiten. Hof heeft o.g.v. zijn vaststellingen in bewijsvoering geoordeeld dat het optreden van opsporingsambtenaar, dat in de kern niet meer dan passief optreden als tussenpersoon inhield, niet kan worden aangemerkt als pseudo-dienstverlening a.b.i. art. 126i Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Enkele omstandigheid dat politie i.h.k.v. inzet van opsporingsambtenaren zelf term ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, was geen beletsel voor hof om tot eigen waardering en kwalificatie van het optreden van opsporingsambtenaren te komen. Ad 2. Voor niet specifiek in wet geregelde manier van opsporing moet worden aangenomen dat opsporingsambtenaren o.g.v. art. 3 Politiewet en art. 141 en 142 Sv alleen bevoegd zijn haar in te zetten op wijze die beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor integriteit en beheersbaarheid van opsporing (vgl. HR:2014:1563). ‘s Hofs oordeel over grondslag van optreden van opsporingsambtenaren houdt in de kern in dat dit optreden aanvankelijk heeft plaatsgevonden o.g.v. art. 3 Politiewet en vervolgens (voorafgaand aan tweede ontmoeting) mede o.g.v. het door OvJ gegeven bevel stelselmatige informatie-inwinning. Bij oordeel dat, voordat bevel was afgegeven, optreden kon worden gebaseerd op art. 3 Politiewet heeft hof in aanmerking genomen dat bij die werkwijze slechts beperkte inbreuk is gemaakt op persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dit oordeel getuigt, mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld en in het licht van wetsgeschiedenis bij art. 126i Sv, niet van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van ‘s hofs vaststellingen in zijn bewijsvoering niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 22/02677 en met 23/04128 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Advocaten
- E. van Reydt
- T.N.B.M. Spronken
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
