ECLI:NL:HR:2025:296
Hoge Raad · 18-03-2025 · zaaknummer 23/02129
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Medeplegen verlengde uitvoer van ruim 97 kilo cocaïne door bagagemedewerkers op luchthaven van Sint Maarten, art. 3.1.d.A jo. 1.3 Opiumlandsverordening 1960. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat “aanbieden ten vervoer” van cocaïne is voltooid? Hof heeft vastgesteld dat verdachte en zijn mededader, als bagagemedewerkers op luchthaven van Sint Maarten, 3 sporttassen met zeer grote hoeveelheid cocaïne, voorzien van bagagelabels die afkomstig waren van ingecheckte koffers voor vlucht naar Parijs, hebben geplaatst in voor die vlucht bedoelde AKE’s (luchtvrachtcontainers), waar zij door hun werk toegang toe hadden. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat sporttassen met cocaïne zijn “aangenomen en aangeboden voor vervoer” a.b.i. art. 1.3 Opiumlandsverordening 1960 (welke bepaling in dit opzicht gelijkluidend is aan art. 1.5 Opiumwet) en dat cocaïne dus is uitgevoerd in de zin van Opiumlandsverordening 1960, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Advocaten
- D.J.M.W. Paridaens
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
