ECLI:NL:HR:2025:294
Hoge Raad · 11-03-2025 · zaaknummer 23/03763
Inhoudsindicatie
Medeplegen handel in hennep, meermalen gepleegd (art. 3.B Opiumwet) en (medeplegen) aanwezig hebben van hennep en hasjiesj (art. 3.C Opiumwet). Strafmotivering (gevangenisstraf van 16 maanden). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. strafoplegging, art. 359.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter en betekenis van art. 359.2 Sv voor motivering van strafoplegging. Verdediging heeft bij behandeling van zaak in hoger beroep bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar forse taakstraf, al dan niet in combinatie met lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft raadsman aangevoerd dat vrouw van verdachte ziek is, dat verdachte sinds zijn opname in afkickkliniek geen terugval heeft gehad en dat hij fulltime werk en eigen woning heeft. Verder heeft raadsman het hof verzocht rekening te houden met tijdsverloop van behandeling van strafzaak en aangevoerd dat verdachte “geen recidive” zou hebben. Ook heeft hij naar voren gebracht dat Rb in vergelijking met andere uitspraak van hof erg hoge straf heeft opgelegd. Hof heeft in zijn arrest overwogen dat door raadsman straftoemetingsverweer is gevoerd. Hof heeft verder overwogen dat het zich verenigt met vonnis in eerste aanleg en met gronden waarop dit berust. Zodoende heeft hof ook strafmaatoverwegingen Rb overgenomen en dus bij bepalen van op te leggen straf o.m. in aanmerking genomen dat verdachte na jarenlange drugsverslaving inmiddels “clean” is, afstand heeft genomen van drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt, en daarbij ook gemotiveerd waarom substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf passende reactie vormt op bewezenverklaarde. Daarmee heeft hof redenen opgegeven waarom het is afgeweken van zowel in e.a. als in h.b. naar voren gebracht standpunt van verdediging v.zv. dit inhoudt dat verdachte zijn leven weer op orde heeft. Ook op stelling dat verdachte “geen recidive” zou hebben, is in overgenomen strafmaatoverwegingen ingegaan. Verder is rekening gehouden met tijdsverloop in strafzaak tot en met behandeling in e.a., wat tot (aanzienlijke) strafvermindering heeft geleid. Wat verdediging in h.b. verder nog heeft aangevoerd over negatieve gevolgen die oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben voor werk van verdachte, zijn huurwoning en psychisch welzijn van zijn partner, heeft hof kennelijk niet opgevat als uos a.b.i. art. 359.2 Sv. Dat oordeel is (mede in aanmerking genomen dat in h.b. nader aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet verder zijn uitgewerkt of aan hand van stukken zijn onderbouwd) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 23/03765.
Advocaten
- D.J.C. Aben
- H.M.W. Daamen
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
