Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2025:1556

Hoge Raad · 14-10-2025 · zaaknummer 24/03117

StrafrechtGepubliceerd 10-10-2025
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van belastende getuigen (verbalisanten), op de grond dat niet aannemelijk is dat getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord, art. 288.1.a. Sv. Welke betekenis komt toe aan omstandigheid dat pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om getuigen te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium mogelijkheid heeft gehad zo’n verzoek te doen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:466 m.b.t. toepassing van art. 288.1.a. Sv, inhoudende dat daarbij vraag voorop staat of het mogelijk is getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Hof heeft verzoek tot het horen van verbalisanten (die verdachte hebben herkend aan de hand van “stills”) als getuigen afgewezen. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat voortvarende en tijdige afdoening van strafzaak moet prevaleren. Bij dit oordeel heeft hof “niet toegelichte gebrek aan activiteit van zijde van verdediging inzake het horen van getuigen” betrokken, waarbij hof o.m. in aanmerking heeft genomen dat er, na behandeling van zaak in eerste aanleg, in h.b. door verdediging geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen gebruik van verklaringen van verbalisanten, en dat verdediging geen verklaring heeft gegeven voor zeer laat stadium waarin verzoek is gedaan. ‘s Hofs oordeel dat verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat voortvarende en tijdige afdoening van strafzaak moet prevaleren, is (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet toereikend gemotiveerd. Uit ‘s hofs vaststellingen volgt immers dat geen inspanningen zijn verricht door autoriteiten om ondervragingsgelegenheid te realiseren. Ook omstandigheid dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerder bestaande gelegenheid om wensen m.b.t. ondervraging van getuigen kenbaar te maken, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, kan niet afwijzing van verzoek op de in art. 288.1.a Sv bedoelde grond dragen. In dat verband is van belang dat zich, gelet op ’s hofs vaststellingen, in deze zaak niet (in HR:2025:1519 besproken) geval voordoet waarin a) verdediging bij eerdere gelegenheid desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht, of b) aan verdediging in eerder stadium van fase in h.b. uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Advocaten

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.