ECLI:NL:HR:2025:1392
Hoge Raad · 14-10-2025 · zaaknummer 23/02167
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude door bedrieglijke bankbreuk en onttrekking van goederen aan failliete boedel, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr en art. 341.1 Sr). 1. Kon hof aan vaststelling dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen het rechtsgevolg verbinden dat handelen en vermogen van verdachte op 1 lijn kan worden gesteld met handelen en vermogen van rechtspersonen en dat civielrechtelijk identiteitsverschil tussen verdachte en rechtspersonen kan worden weggedacht? 2. Is sprake van verkorting van rechten van schuldeisers en van benadeling van schuldeisers door tijdens faillissement geldleningen aan te gaan en bedragen uit zicht van curator te houden? 3. Kunnen contante stortingen op bankrekening van rechtspersoon worden aangemerkt als ‘baten’ a.b.i. art. 341.a.1 (oud) Sr en heeft verdachte gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers’? 4. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen geldtelmachine, art. 36c Sr. Ad 1. ’s Hofs (op zijn niet onbegrijpelijke vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen gegronde) oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen A en B wordt niet bestreden. V.zv. middel ervan uitgaat dat hof deze rechtspersonen heeft ‘vereenzelvigd’ met verdachte, berust het op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. In ’s hofs arrest besloten liggend oordeel dat misbruik bestaande uit het tijdens faillissement vrijelijk en voor eigen doeleinden beschikken over activa, waarbij verdachte slechts in naam gebruikt maakte van rechtspersonen, meebrengt dat in die transacties betrokken vermogensbestanddelen geacht moeten worden te behoren tot verdachtes vermogen (als schuldenaar a.b.i. art. 20 Fw) geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Hof heeft o.g.v. zijn vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen geoordeeld dat verdachte heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers’ dan wel ‘terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in verhaalsmogelijkheden worden benadeeld voor of tijdens faillissement’. Nu verdachte ook ttz. in hoger beroep geen duidelijk en volledig beeld heeft gegeven van herkomst en bestemming van grote geldbedragen waarover hij tijdens faillissement kon beschikken en kennelijk geheel naar eigen inzicht kon besteden en heeft besteed, heeft hof, zonder blijk te geven van onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat buiten redelijke twijfel vast staat dat verdachte, door op deze manier bedragen te besteden, zijn schuldeisers heeft benadeeld. Dat omvang van benadeling niet z.m. gelijk is aan hoogte van ‘geldleningen’, doet daaraan niet af. HR merkt op dat in ’s hofs vaststellingen en overwegingen als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten ligt dat zich hier niet situatie voordoet a.b.i. HR:1974:AB6908 en HR:1992:AC2505, waarin tegenover de gedurende faillissement verworven baten o.g.v. daaraan ten grondslag liggende zakelijke overeenkomsten (mogelijk) verplichtingen van gelijke hoogte stonden, zodat (waren deze baten wel aan curator bekend gemaakt) daartegenover boedelschuld van (ten minste) gelijke hoogte stond. In dat verband is van belang dat verdachte niet aan curator en ook niet aan hof duidelijk en volledig inzicht heeft gegeven in herkomst en bestemming van geldbedragen waarover hij gedurende faillissement beschikte en in verband daarmee in manier waarop hij (ondanks lopend faillissement) derden beweerdelijk bereid heeft gevonden hem geldbedragen van zo’n omvang ter beschikking te stellen. Dat tegenover die bereidheid verplichtingen stonden die derden anders jegens boedel geldend hadden kunnen maken, behoefte hof o.g.v. wat verdachte daarover naar voren heeft gebracht, niet aan te nemen. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat verdachte op enig moment contant bedrag van € 481.000 heeft ontvangen en dit na faillissement op rekening rechtspersoon A heeft gestort, waarna hij daarmee betalingen heeft verricht. Daaruit heeft hof kennelijk afgeleid dat bedrag t.t.v. faillissement tot verdachtes vermogen behoorde, dan wel dat hij bedrag gedurende faillissement heeft verworven, en dus dat het o.g.v. art. 20 Fw tot boedel behoorde. Op grond hiervan oordeelde hof dat sprake was van ‘baten’ die verdachte aan curator had moeten verantwoorden en dat, door dat niet te doen, hij handelde ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 4. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft overwogen dat bewezenverklaarde in voorraad hebben van valse bankbiljetten is begaan m.b.t. geldtelmachine en dat ongecontroleerd bezit in strijd is met algemeen belang en wet. Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn o.b.v. art. 36c Sr alle voorwerpen m.b.t. welke het feit is begaan. Bewezenverklaard feit is niet m.b.t. geldtelmachine begaan. Hof heeft niet vastgesteld dat ongecontroleerd bezit in strijd is met wet of algemeen belang. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. verkorting van rechten van schuldeisers en van benadeling van schuldeisers.
Advocaten
- B.F. Keulen
- G.A. Jansen-de Wolf
- O.M. Dieben
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
