Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2024:551

Hoge Raad · 09-04-2024 · zaaknummer 22/01766

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2024
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr). 1. Voorwaardelijke verzoeken i.v.m. intern fraudeonderzoek, art. 315 jo. 328 Sv. Heeft hof verzuimd te beslissen op twee ttz. in hoger beroep gedane en op nadere tz. in h.b. gehandhaafde voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek naar e-mailbericht en tot horen van getuige? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Verzoek a.b.i. art. 328 jo. art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv moet stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd zijn. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat eerste voorwaardelijke verzoek om politie bij bedrijf A onderzoek te laten doen naar “eventuele valsheid” van e-mailbericht niet voldoet aan die eisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof heeft overwogen dat rekeningnummer van verdachte niet (ook) rekeningnummer van bedrijf waar verdachte werkzaam is (B) kan zijn en dat uit onderzoek van IT-afdelingen van zowel A als B blijkt dat in desbetreffende periode geen e-mailwisseling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en A. Tegen die achtergrond heeft hof verder kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat nadere toelichting behoefde dat en waarom nader onderzoek naar valsheid van dat e-mailbericht bij A nodig zou zijn. Hof heeft verder kennelijk geoordeeld dat tweede voorwaardelijke verzoek om politie onderzoek te laten doen naar “eventuele financiële misstanden binnen bedrijf B”, welk verzoek ttz. in h.b. is toegespitst op laten horen van getuige over die “eventuele misstanden”, evenmin voldoet aan hiervoor genoemde vereisten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verzoek niet inhield op welke “eventuele misstanden” dit onderzoek zich zou moeten richten en op grond waarvan onderzoek naar die eventuele misstanden van belang is voor enige in strafzaak o.g.v. art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Ad 2. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast. Volgt verwerping.

Advocaten

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.