ECLI:NL:HR:2023:539
Hoge Raad · 11-04-2023 · zaaknummer 21/01893
Inhoudsindicatie
Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 1.408.739,84), art. 420bis.1.b Sr. Onschuldpresumptie, art. 6.2 EVRM. Is oordeel hof dat verdachte, hoewel dat niet als zodanig is tenlastegelegd, zich schuldig zou hebben gemaakt aan schending van inlichtingenplicht, waarbij mogelijk schuldeisers zijn benadeeld, in strijd met onschuldpresumptie? Hof heeft geoordeeld dat verdachte wist dat in bewezenverklaring genoemd geldbedrag afkomstig was uit misdrijf, waarbij hof klaarblijkelijk het oog heeft op oplichting door medeverdachten. Aan oordeel heeft hof volgende vaststellingen ten grondslag gelegd. Verdachte was bekend met financiële problemen van haar en haar echtgenoot voorafgaand aan start van biodieselproject. Verdachte wist immers van faillissement van haar echtgenoot in privé en van zijn onderneming. Verdachte heeft vervolgens actief meegewerkt om nadelige gevolgen hiervan te beperken door buiten boedel houden van vermogensbestanddelen en op haar naam zetten van vennootschappen en bankrekeningen. In dit verband heeft hof overwogen dat uit door het hof nader aangeduide feiten en omstandigheden volgt dat het onmiskenbaar bedoeling is geweest van verdachte en haar echtgenoot om inkomsten van biodieselproject uit zicht van curator en faillissement te houden en dat verdachte actief daaraan heeft bijgedragen. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte wist van financiële problemen met biodieselproject, maar dat er niettemin grote bedragen aan project werden onttrokken en bij haar en haar ondernemingen terecht kwamen en dat bedragen door haar en haar echtgenoot werden gebruikt, zonder dat iets van dat geld overbleef voor investeringen en/of beleggers. Overweging van hof dat het onmiskenbaar bedoeling is geweest van medeverdachte en verdachte om inkomsten uit zicht van curator en faillissement te houden en dat verdachte actief daaraan heeft bijgedragen, houdt rechtstreeks verband met beantwoording van vraag of tenlastegelegde feit kan worden bewezenverklaard, in het bijzonder waar het gaat om vraag over in tenlastelegging genoemde wetenschap ter zake van herkomst van geldbedrag. Gelet hierop faalt klacht dat deze overweging van hof in strijd is met onschuldpresumptie. Overweging van hof dat actieve bijdrage van verdachte aan uit zicht van curator en faillissement houden van inkomsten “in ieder geval schending [oplevert] van inlichtingenplicht (art. 105 Faillissementswet jo. art. 194 Sr), waarbij mogelijk schuldeisers zijn benadeeld (art. 20 Fw jo. art. 341.1 (oud) Sr)” moet als strijdig met onschuldpresumptie worden aangemerkt. Middel klaagt daarover op zichzelf weliswaar terecht, maar dat kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. In geheel van bewijsvoering gaat het immers slechts om overweging van ondergeschikte betekenis die daarnaast op zichzelf geen redengevende betekenis voor bewezenverklaring heeft. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte nadeel heeft ondervonden door genoemde overweging. Volgt verwerping.
Advocaten
- D.J.C. Aben
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
