Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2023:1556

Hoge Raad · 14-11-2023 · zaaknummer 22/03105

StrafrechtGepubliceerd 10-11-2023
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen poging tot afpersing (art. 317.3 jo. 312.2 Sr) van schoenendoos met geld en goederen. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten toebehoren van weg te nemen geld en goederen aan ander dan verdachte en zijn mededaders. 2. Beslissing over voorlopige hechtenis. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs vaststelling dat betreffende schoenendoos met inhoud aan ander (A) toebehoort, is niet onbegrijpelijk. Uit gebruikte bewijsmiddelen volgt immers dat A “voor 100%” verbleef in woning van aangever. Voorts heeft aangever verklaard dat hij A meermaals in de weer heeft gezien met schoenendoos, die hij gebruikte voor verkoop van drugs en dat A tegen hem heeft gezegd dat er niets gestolen was. Daarmee is niet onderling tegenstrijdig de voor bewijs gebruikte verklaring van aangever dat hij mannen in zijn woning hoorde zeggen dat € 10.000 was gestolen. Datzelfde geldt voor de door hof voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte, die inhoudt dat op bewuste avond in woning van aangever werd gesproken over feit dat doos met spullen verdwenen was. Deze in bewijsconstructie betrokken uitlatingen van medeverdachten, waarover aangever en verdachte overeenkomstig hebben verklaard, zijn op zichzelf genomen weliswaar niet redengevend voor bewezenverklaarde “toebehoren aan” maar daarmee niet noodzakelijk onverenigbaar met inhoud van overige b.m. en bewezenverklaarde. Omstandigheid dat medeverdachten die avond uitlatingen van dergelijke strekking hebben gedaan sluit als zodanig niet uit dat A in feite zodanige zeggenschap over schoenendoos uitoefende dat gezegd kan worden dat schoenendoos aan hem “toebehoorde” in de zin van art. 310 en 317 Sr. Voorts kunnen deze onderdelen uit verklaringen van aangever en verdachte moeilijk worden los gezien van rest van het verklaarde over mishandeling van aangever, dat door hof redengevend is geacht voor bewijs van (bedreiging met) geweldpleging a.b.i. art. 312 en 317 Sr. Mede in samenhang bezien met overige b.m., is niet in te zien waarom hof betreffende passages niet redengevend kon achten voor bewezenverklaarde feiten. Bewezenverklaring is dan ook niet onbegrijpelijk en naar eis der wet met redenen omkleed. In die bewijsvoering ligt ook voldoende gemotiveerd besloten verwerping van verweer van verdediging. Ad 2. Verdachte mist om navolgende reden het vereiste belang bij bespreking van deze klacht. Overige middelen (bewijsklachten) slagen niet, terwijl o.g.v. art. 6:2:2.a Sv de door hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op dag van uitspraak van HR. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht (vgl. HR:2012:BW7369 en HR:2021:1662). Volgt verwerping. Samenhang met 22/02971.

Advocaten

  • E.J. Hofstee

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.