ECLI:NL:HR:2023:1473
Hoge Raad · 31-10-2023 · zaaknummer 21/04043
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg n.a.v. verkeersruzie, door ander op te tillen en op de grond te gooien en hem te slaan en te schoppen, met hersenletsel tot gevolg (art. 300.2 Sr). Verwerping beroep op noodweerexces na ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg i.v.m. noodweerexces. Heeft hof t.a.v. wederrechtelijke aanranding van verdachte door slachtoffer voldoende nauwkeurige vaststellingen gedaan? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456 m.b.t. belang van nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen bij beoordeling van beroep op noodweerexces. Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging door verdachte het onmiddellijk gevolg was van een door de wederrechtelijke aanranding van verdachte door slachtoffer veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Dat oordeel is in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet toereikend gemotiveerd, in het bijzonder waar het gaat om de door hof aangenomen wederrechtelijke aanranding van verdachte door slachtoffer. Hof is uitgegaan van “situatie waarbij over en weer geweldshandelingen zijn verricht” en waarbij verdachte en slachtoffer elkaar vasthebben en duwen en trekken, waarna “op enig moment” situatie is ontstaan dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen wederrechtelijke aanranding jegens hem. Deze vaststellingen over aanleiding en aard van de door hof aangenomen wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn niet voldoende nauwkeurig en consistent, mede in het licht van het door hof gekozen uitgangspunt dat verklaring van getuige over aanvang van incident “helder en betrouwbaar” is, en beroep van verdediging op die verklaring inhoudt dat slachtoffer er volgens getuige “meteen” op sloeg en hij daarbij als eerste verdachte met volle kracht met de vuist tegen het hoofd heeft geslagen. In het verlengde hiervan is (mede in het licht van wat hierover door of namens verdachte is aangevoerd) niet z.m. begrijpelijk ’s hofs oordeel dat verdachte “tegen de achtergrond van het door verdachte gebezigde geweld (...) onvoldoende inkleuring [heeft] gegeven aan de door hem gevoelde emoties” en dat die inkleuring “in elk geval onvoldoende [is] om de hevigheid van de gemoedsbeweging die werd ingegeven door deze specifieke situatie te kunnen duiden”. Ook in dat verband ontbreken voldoende nauwkeurige vaststellingen, i.h.b. m.b.t. “deze specifieke situatie”. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- A.G.M. Abeln
- B.F. Keulen
- T.E. Korff
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
