ECLI:NL:HR:2022:563
Hoge Raad · 19-04-2022 · zaaknummer 20/02545
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto’s onder klager (eigenaar van autoverhuurbedrijf) en derden (verdachten) t.z.v. verdenking van handel in harddrugs. Toebehoren a.b.i. art. 33a Sr. Is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voertuigen zal bevelen? Rb heeft dat oordeel gegrond op de vaststelling dat inbeslaggenomen voertuigen gedurende enige tijd door derden - niet zijnde klager - zijn gebruikt voor dealeractiviteiten, in welke vaststelling volgens Rb besloten ligt dat voertuigen gedurende de onderzoeksperiode aan die derden hebben ‘toebehoord’ in de zin van art. 33a Sr. In aanmerking genomen dat Rb slechts heeft vastgesteld dat klager eigenaar van voertuigen is en deze verhuurde, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Dat die derden op grond van een met klager gesloten huurovereenkomst gerechtigd waren voertuigen gedurende de looptijd van die overeenkomst te gebruiken, brengt immers niet mee dat deze voertuigen daarom in die zin ‘toebehoorden’ aan die derden. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- A.E. Harteveld
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
