ECLI:NL:HR:2022:290
Hoge Raad · 22-02-2022 · zaaknummer 20/03781
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheid dat aangetekende brief is verzonden naar verdachte waarin hem ongeldigverklaring van zijn rijbewijs is medegedeeld, zich in dossier stukken zouden bevinden waaruit zou blijken dat verdachte bij eerdere aanhoudingen is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard en verdachte bij zijn aanhouding heeft verklaard dat hij wist dat hij fout zat, worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Uit bewijsvoering kan niet z.m. volgen dat verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- A.E. Harteveld
- J. Boksem
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
de politie
verdachte · overheid
Overheidspartijen
de politie
verdachte
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
