ECLI:NL:HR:2022:1710
Hoge Raad · 22-11-2022 · zaaknummer 21/01681
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheid dat besluit CBR tot ongeldigverklaring rijbewijs per aangetekende brief is verzonden, nadat verdachte 2 keer is gezakt voor rijvaardigheidsonderzoek, worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Uit enkele omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs per aangetekende brief aan verdachte is verzonden, kan niet worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met wat hof in bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen. Bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat verdachte “redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard”, is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- A.E. Harteveld
- J. Boksem
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
