ECLI:NL:HR:2022:1620
Hoge Raad · 15-11-2022 · zaaknummer 21/00741
Inhoudsindicatie
Verkopen en vervoeren van cocaïne, art. 2.B Opiumwet (feit 1) en eenvoudige belediging ambtenaar, 266.1 jo. 267.2 Sr (feit 2). Verbeurdverklaring van geldbedrag van € 281,85, art. 33a.1.a Sr. Is het gehele geldbedrag verkregen d.m.v. of uit baten van het verkopen van 0,56 gram cocaïne a.b.i. art. 33a.1.a Sr? Onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a.1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. HR:2020:9). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat dit geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. of uit baten van het onder 1 bewezenverklaarde is verkregen en dat het daarom vatbaar is voor verbeurdverklaring. ‘s Hofs oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de bewezenverklaarde verkoop van cocaïne € 40 heeft verkregen. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring van geldbedrag en terugwijzing.
Advocaten
- B.F. Keulen
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
