ECLI:NL:HR:2022:1572
Hoge Raad · 08-11-2022 · zaaknummer 21/03710
Inhoudsindicatie
Caribische zaak Curaçao. Medeplegen van mensenhandel in “trago-meisjes” in een door de verdachte en haar mededader (moeder van verdachte) geleide bar. Art. 2:239 Sr Curaçao. Is voor bewezenverklaring van een op art. 2:239.1.d of 2:239.1.i SrC toegesneden tll. niet alleen vereist dat uit bewijsmiddelen blijkt dat sprake is van uitbuiting maar ook dat daaruit moet blijken dat sprake is van ‘oogmerk van’ uitbuiting? Voor de uitleg van art. 2:239 SrC kan worden aangesloten bij de uitleg van art. 273f Sr. ‘Uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 2:239 lid 1 aanhef en onder d en i SrC, nu de in die bepaling bedoelde gedragingen pas dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft als uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. HR:2015:3309 en HR:2020:191). Niet is vereist dat uit de bewijsvoering moet blijken van ‘oogmerk van’ uitbuiting (vgl. HR:2011:BR0448). Gelet op de vaststellingen van het hof en wat voorop is gesteld, geeft ’s hofs oordeel dat sprake is van (het medeplegen van) mensenhandel, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd, ook m.b.t. het impliciete bestanddeel ‘uitbuiting’. Volgt verwerping. Samenhang met 20/04083 C, 20/04163 C en 20/04164 C.
Advocaten
- E.J. Hofstee
- Y. Moszkowicz
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
