ECLI:NL:HR:2021:814
Hoge Raad · 01-06-2021 · zaaknummer 20/03874
Inhoudsindicatie
Herziening. PGB-fraude. Aangevoerd wordt dat gelet op nalatig handelen van OM sprake is van een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Met hetgeen in aanvraag naar voren wordt gebracht ter feitelijke onderbouwing van het “nieuwe gegeven”, wordt dat gegeven niet aannemelijk gemaakt. Aanvraag kan daarom in zoverre niet ernstig vermoeden a.b.i. art. 457.1.c Sv wekken. Dat geldt ook voor het overige wat in aanvraag wordt aangevoerd. V.zv. in aanvraag wordt verwezen naar uitspraak die tegen aanvraagster is gewezen in ontnemingszaak, is van belang dat vragen die i.h.k.v. ontnemingsprocedure aan de orde zijn m.b.t. verkrijging van wederrechtelijk voordeel en de hoogte daarvan, op zichzelf niet van rechtstreeks belang zijn voor bewijsvoering in de met ontnemingszaak samenhangende strafzaak. Wat in aanvraag, onder verwijzing naar documenten, wordt aangevoerd i.v.m. omvang van bevoordeling of verrijking van aanvraagster, maakt dat niet anders. V.zv. aanvraag berust op stelling dat in uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd sprake is van onjuiste toepassing van het recht, heeft deze niet betrekking op gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv, nu (zoals ook in wetsgeschiedenis is bevestigd) dat geen grond tot herziening kan vormen. Volgt afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2016:2920 (ontnemingszaak).
Rechters
Advocaten
- H.W.R. Nakad-Weststrate
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
