ECLI:NL:HR:2021:803
Hoge Raad · 08-06-2021 · zaaknummer 20/01451
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto na aangifte door A (derde-belanghebbende) vanwege bedrog bij verkoop aan B, die auto heeft doorverkocht aan klaagsters (beslagenen). Beklag tegen voornemen OvJ om auto aan derde-belanghebbende terug te geven. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 m.b.t. maatstaf bij beklag tegen kennisgeving OM ex art. 116.3 Sv van voornemen om voorwerp terug te geven aan ander dan beslagene (i.c. aan A). Rb heeft aan oordeel dat klaagschrift ongegrond moet worden verklaard in de kern ten grondslag gelegd dat klaagsters, gelet op art. 3:84 en 3:86.1 BW, “onvoldoende hebben ondernomen om na te gaan of zij een rechtsgeldige overeenkomst zijn aangegaan”. Aldus heeft Rb een andere dan hier toepasselijke, en dus onjuiste, maatstaf aangelegd. Bovendien volgt, in het licht van wat in CAG is opgemerkt over geldigheid van overeenkomst tussen A en B, uit dat oordeel niet z.m. dat A redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- A.E. Harteveld
- H. Akbaba
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
