ECLI:NL:HR:2021:1507
Hoge Raad · 12-10-2021 · zaaknummer 19/05291
Inhoudsindicatie
Voorhanden hebben van vals identiteitsbewijs, art. 231 Sr. Art. 1 Wet op de Identificatieplicht. Art. 2 Paspoortwet. Is valse Iraakse identiteitskaart een identiteitsbewijs a.b.i. art. 231 Sr? ’s Hofs oordeel dat Iraakse identiteitskaart kan worden aangemerkt als een “identiteitsbewijs” a.b.i. art. 231 Sr is, gelet op hiervoor genoemde bepalingen en wetsgeschiedenis bij art. 231.1 Sr, niet begrijpelijk. HR merkt op dat het in HR:2020:451 (anders dan i.c.) ging om (valse) identiteitskaart van lidstaat van EU met functie om houder ervan het reizen en verblijf in andere landen te vergemakkelijken en deze daarom als “reisdocument” gold. Uit ’s hofs overwegingen volgt niet dat Iraakse identiteitskaart eenzelfde functie heeft. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: geen belang bij cassatie op dit punt maar vernietiging op de grond dat hof uitspraak heeft gedaan zonder dat daarbij griffier aanwezig was.
Advocaten
- B.F. Keulen
- L.E.G. van der Hut
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
