ECLI:NL:HR:2020:9
Hoge Raad · 07-01-2020 · zaaknummer 18/04306
Inhoudsindicatie
Opzettelijk handelen in strijd met art. 2.C Opiumwet. Verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag. Het Hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat “het geld is verdiend met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte”. Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a.1 Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring ontoereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a.1 Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als i.c. voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. het bewezenverklaarde aanwezig hebben van verdovende middelen. Volgt partiële vernietiging (uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring) en terugwijzing. CAG: anders.
Advocaten
- A.E. Harteveld
- J.Y. Taekema
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
