ECLI:NL:HR:2020:2017
Hoge Raad · 15-12-2020 · zaaknummer 19/02117
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude. Feitelijk leidinggeven aan door rechtspersonen begane bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr) en feitelijk leiding geven aan door rechtspersoon opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting (art. 68 AWR). 1. Bewijsklacht bedrieglijke bankbreuk. 2. Kan onder “last” a.b.i. art. 341.a (oud) Sr enkel worden verstaan last waarvan (later) gefailleerde rechtspersoon schuldenaar is? 3. Bewijsklacht onjuiste belastingaangifte. Ad 1. Bewezenverklaring houdt o.m. in dat BV A (voorheen genaamd BV B) vorderingen op 7 vennootschappen van BV B tot bedrag van aanvankelijk € 2.505.500 en na verrekening van bedrag van € 599.154 tot bedrag van € 1.929.240 aan boedel heeft onttrokken, waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Uit door hof gebruikte bewijsvoering kan echter niet z.m. worden afgeleid dat in bewezenverklaring gespecificeerde vorderingen aan boedel van BV A (voorheen BV B) zijn onttrokken. ’s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd Ad 2. Hof heeft blijkens gebruikte bewijsvoering vastgesteld dat BV B (door het in vereniging met onder meer BV C en BV D in hypotheekakte doen opnemen dat m.b.t. door BV B in eigendom te verwerven onroerende zaak door BV C recht van hypotheek was verleend tot bedrag van (ongeveer) € 422.750 aan BV D, terwijl daar geen reële geldleningen en financieringen tegenover stonden en zouden komen te staan) heeft meegewerkt aan voorwenden van financiële verplichting die heeft geleid tot bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers van BV B. Met daarop gebaseerd oordeel dat BV B ter bedrieglijke verkorting van rechten van haar schuldeisers last had verdicht, heeft hof geen onjuiste uitleg gegeven aan begrip “last” a.b.i. art. 341.a (oud) Sr. ‘s Hofs oordeel is niet reeds onjuist omdat uit gebruikte bewijsvoering niet volgt dat BV B voorgewende financiële verplichting direct op zich heeft genomen. Ad 3. Bewezenverklaring houdt in dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door BV D opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting. Uit bewijsvoering kan echter niet z.m. worden afgeleid dat BV D opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan. ’s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/02222 en 19/02223.
Advocaten
- J.S. Nan
- T.N.B.M. Spronken
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
