Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:HR:2020:1609

Hoge Raad · 13-10-2020 · zaaknummer 18/04282

StrafrechtGepubliceerd 12-10-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Economische zaak. OM n-o in vervolging t.z.v. overtreding van art. 7 Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (feit 2) wegens verjaring. 1. Omvang h.b. na partiële vernietiging door HR t.a.v. feit 2 (1 van de 3 feiten) en terugwijzing, terwijl HR ’s hofs uitspraak niet ook t.a.v. strafoplegging heeft vernietigd. Misslag in dictum eerder arrest HR. 2. Heeft hof ten onrechte geen beslissing genomen over strafoplegging t.z.v. eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten? Ad 1. HR Ambtshalve: HR constateert dat in zijn arrest van 5-7-2016 abusievelijk niet is vermeld dat ’s hofs uitspraak van 29-9-2014 behalve wat betreft onder 2 tlgd. ook wat betreft strafoplegging wordt vernietigd. Nu in aldus hersteld arrest van HR van 5-7-2016 niet anders is vermeld, geldt dat in ‘vernietiging wat betreft strafoplegging’ alle in ‘s hof uitspraak van 29-9-2014 genomen beslissingen a.b.i. art. 351 Sv m.b.t. oplegging van straf en/of maatregel zijn begrepen, waaronder beslissingen t.z.v. opleggen van schadevergoedingsmaatregel a.b.i. art. 36f Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2020:232). Hof heeft in bestreden arrest terecht als uitgangspunt genomen dat het, na terugwijzing van zaak door HR, gebonden was aan de door HR gegeven terugwijzingsopdracht (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1416). Gelet op wat hiervoor is overwogen moet echter worden aangenomen dat hof (achteraf gezien) a.g.v. hiervoor bedoelde omissie in dictum van HR, ten onrechte niet is toegekomen aan strafoplegging t.z.v. eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. Vanwege de in CAG vermelde redenen, waaronder ouderdom van zaak en feit dat zaak al eerder is teruggewezen - en rekening houdend met geringe betekenis van wegvallen van veroordeling t.z.v. onder 2 tlgd. voor strafoplegging - zal HR zaak zelf afdoen. HR bepaalt dat verdachte t.z.v. bij ’s hofs uitspraak van 29-9-2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden (i.p.v. 5 maanden). Daarnaast legt HR aan verdachte schadevergoedingsmaatregelen a.b.i. art. 36f Sr op overeenkomstig bedragen waarvoor daarmee verband houdende vorderingen b.p.’s zijn toegewezen volgens dictum van ’s hofs (in zoverre onherroepelijke) arrest van 29-9-2014. HR bepaalt daarbij, overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914 en rekening houdend met wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal 1 jaar, dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Ad 2. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft middel geen bespreking. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:1391.

Advocaten

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.