ECLI:NL:HR:2019:255
Hoge Raad · 19-02-2019 · zaaknummer 17/02846
Inhoudsindicatie
Mishandeling politieagent, art. 300.1 jo. 304.2 Sr. Toepassing taakstrafverbod bij vordering tul van voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, art. 22b jo. 14g.2 Sr. Welk feit moet worden verstaan onder "het door hem begane feit" in art. 22b.2 Sr bij de vraag of voorwaardelijke vrijheidsstraf kan worden omgezet in taakstraf ex art. 14g.2 Sr? Hof heeft verdachte t.z.v. mishandeling van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van de bediening (pleegdatum 24-05-15) veroordeeld tot één week gevangenisstraf en tul gelast van zes maanden voorwaardelijke jeugddetentie (bij vonnis van 10-09-13 opgelegd t.z.v. medeplegen afpersing, pleegdatum 23-02-13), te vervangen door één week jeugddetentie en 240 uur taakstraf. Aangenomen moet worden dat van overeenkomstige toepassing verklaring van art. 22b Sr in art. 14g.2 Sr ertoe strekt dat in gevallen waarin art. 22b Sr oplegging van een taakstraf niet toeliet, ook geen taakstraf wordt gelast i.p.v. het geven van een last tot tul van een vrijheidsstraf. Op die wijze beoogt de wet te voorkomen dat een feit alsnog wordt bestraft met een taakstraf, in de situatie dat bij veroordeling wegens dat feit art. 22b Sr in de weg zou hebben gestaan aan de oplegging van een taakstraf. Rechter die beslist over vordering a.b.i. art. 14g.1 Sr dient daarom zo nodig na te gaan of, indien ex art. 14g.2 Sr taakstraf wordt gelast, dat feitelijk leidt tot een bestraffing van het feit waarvoor voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd die niet in overeenstemming is met art. 22b Sr. Bij die beoordeling neemt rechter ex art. 22b Sr eventuele andere straffen in aanmerking die t.z.v. van dat feit aan veroordeelde zijn opgelegd. Dit betekent dat, v.zv. bij beslissing op de in art. 14g.1 Sr bedoelde vordering de vraag aan de orde komt of aan de in art. 22b.2 Sr genoemde voorwaarden wordt voldaan, onder "het door hem begane feit" moet worden verstaan het feit ter zake waarvan verdachte is veroordeeld tot de voorwaardelijk opgelegde straf waarvan tul wordt gevorderd. Zo wordt ook vermeden dat daarbij een verschil zou ontstaan indien de aanleiding voor het doen van de art. 14g.1 Sr bedoelde vordering is gelegen in de omstandigheid dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan strafbaar feit, dan wel in het niet-naleven van een bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 Sr. ’s Hofs kennelijke oordeel dat art. 22b.2 Sr in de weg staat aan omzetting van voorwaardelijke jeugddetentie in taakstraf is ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat Hof niet heeft vastgesteld dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het op 23-02-13 gepleegde feit wegens soortgelijk feit taakstraf is opgelegd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 17/02845.
Advocaten
- P.C. Vegter
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
