ECLI:NL:HR:2019:1482
Hoge Raad · 01-10-2019 · zaaknummer 17/01305
Inhoudsindicatie
Antilliaanse zaak. Opzettelijke schending ambtsgeheim (art. 2:232 SrC) door als parlementslid in Curaçao tijdens radio-uitzending en persconferentie te vertellen wat is besproken in commissievergadering. 1. Is art. 59 Reglement van orde ‘wettelijk voorschrift’ a.b.i. art. 2:232 SrC? 2. Moet art. 59 RvO buiten toepassing worden gelaten i.v.m. onverenigbaarheid met recht van vrije meningsuiting ex art. 9 Staatsregeling? 3. Vormt in art. 59 RvO neergelegde geheimhoudingsplicht ontoelaatbare inbreuk op art. 10 EVRM? Ad 1. Art. 59 RvO vindt zijn directe grondslag in art. 62 Staatsregeling, dat bepaalt dat Staten hun reglement van orde vaststellen en dit reglement openbaar maken in het Publicatieblad. Gelet op art. 62 Staatsregeling en in aanmerking genomen dat Statenleden zijn gebonden aan in RvO vervatte voorschriften, heeft geheimhoudingsverplichting in art. 59 RvO te gelden als verplichting uit hoofde van ‘wettelijk voorschrift’ ex art. 2:232 SrC. Ad 2. In art. 59 Reglement van Orde opgenomen geheimhoudingsplicht kan als beperking van vrijheid van meningsuiting worden gezien. Opzettelijke schending van deze geheimhoudingsplicht is in art. 2:232 SrC strafbaar gesteld. Uitoefening van vrijheid van meningsuiting kan o.g.v. art. 10 EVRM aan beperkingen worden onderworpen die in het recht zijn voorzien en die in democratische samenleving noodzakelijk zijn, o.m. om verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen. Met ook in art. 9.3 Staatsregeling gewaarborgd recht van vrijheid van meningsuiting en daarin voorkomende woorden “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening” wordt eveneens beoogd te bepalen dat deze vrijheid niet onbeperkt is. Tegen deze achtergrond en gelet op art. 62 Staatsregeling moet in art. 9.3 Staatsregeling voorziene beperking van vrijheid van meningsuiting aldus worden verstaan dat beperking is voorzien in met ‘landsverordening’ gelijk te stellen, Statenleden bindende regeling. Ad 3. Hof heeft overwogen dat niet relevant is of deelnemers aan vergadering uitlatingen die zij tijdens vergadering doen wellicht al eerder en in het openbaar hebben gedaan, omdat “de geheimhoudingsplicht van artikel 59 van het reglement dient als waarborg voor het vrijuit kunnen spreken tijdens de vergadering door de deelnemers”. Daarin ligt besloten dat Hof - zonder blijk te geven van een verkeerde rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk - heeft geoordeeld dat voor schenden van geheim ex art. 59 RvO niet z.m. van belang is of die informatie zich reeds in het publieke domein bevond en dat opgelegde beperking van vrijheid van meningsuiting in dat licht niet “disproportioneel” is. Volgt verwerping.
Advocaten
- D.J.M.W. Paridaens
- D.R. Doorenbos
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
